title
» Het einde van het jaar, van dit zwarte jaar Jij begrijpt wel dat ik op springen sta.   acht reacties |
» Fahren auf der Autobahn Moet jij ook nog wel eens denken aan Alfred Herrhausen, aan Hanns-Martin Schleyer? (Ga maar zoeken met Google.) Nou, ik wel. Binnenkort maar eens een stukje over mezelf, vind je ook niet? Of zullen we het maar laten zitten. Weet je wat, we laten het zitten.   negen reacties |
» U slaapt, Ellingmann waakt Tijdens het waken — het is inmiddels 4 uur 19 in de ochtend — stuit Ellingmann op een aardig testje waarmee u zich op deze Tweede Kerstdag even kunt vermaken: is de lach van de persoon die u ziet, echt of niet?
Ellingmann scoort 16 uit 20, en u?   zestien reacties |
» Rhythme De klokken zijn van slag, het zal de naderende kerst wel wezen. Gewoonlijk wordt er hier om 17.22 uur gebeierd, maar vandaag al rond vieren. Of zou er een dode ten grave worden gedragen?
Mijn hele rhythme in de war, door die klokken die voortijdig beieren. Plots word ik gedwongen het jaar recht in het gezicht te zien. Het jaar kijkt mij aan. Een merkwaardige grimas. Maar goed dat er geen spiegel bij de hand is.
En voor ik het vergeet: mocht jouw jaar je ook met zo'n dubbele blik aanzien, troost je dan, denk maar terug aan de zomer, of verdoof je met limonadeglazen wodka.   drie reacties |
» Jeremia neemt het woord 'En ziet: het loopt in het oog dat kaalheid van kalende mannen meer opvalt naarmate hun haren langer zijn, zoals de domheid van een dwaas meer opvalt naarmate hij meer spreekt.'   vijf reacties |
» Overweegt u mee? Wanneer je De Nederlander Van Het Jaar mag kiezen, en het lukt je niet aan een van de kandidaten zelfs maar één punt toe te kennen, wordt het dan niet tijd het land definitief de rug toe te keren?   vijftien reacties |
» Time: Amerikaanse soldaat is persoon van het jaar De SS-er: 'Voor mij is het woord grens van jongsaf aan geen neutraal woord geweest, maar een met pathos beladen begrip. Een min of meer mystiek begrip. In ieder geval niet gewoon een administratieve lijn tussen twee bestuurseenheden, wat het in feite is.
Kortom, iets om overschreden te worden.
Als jongen al vond ik, grenzen zijn er om te overschrijden. Vreemde landen zijn er om binnen te rukken.
Ik spreek nu niet over een mening, die ik toen had, want als mening is het natuurlijk nonsens. Maar ik spreek over een bepaalde gevoelswereld.
Rationeel zou iemand kunnen zeggen, je zou dus eigenlijk willen dat er helemaal geen grenzen waren, want je wilt ze allemaal overschrijden. Nee, ze moeten er zijn, want als ze er niet zijn, kunnen ze ook niet overschreden worden.'

Uit: Armando en Hans Sleutelaar: De SS'ers, De Bezige Bij, Amsterdam, 1990, blz. 313.   een reactie |
» Ook jij zag er fantastisch uit (2) Kijk, van de muziek die hier te vinden is ga je van die rare stukken schrijven.   vijf reacties |
» Ook jij zag er fantastisch uit Ellingmann dacht: dat doen we nooit weer, zo’n vraaggesprek met Mulisch, zeker niet als we er niet van op de hoogte zijn dat er ook nog een fotograaf van dat blad komt, die de sfeer verpest en alles stukmaakt wat we in twee uur hadden bereikt, door zo dicht met zijn camera bij de schrijver te gaan staan, meer dan 20 centimeter was het niet en toen zei Mulisch: ga maar weg dit interview met Harry kunt u als beëindigd beschouwen en ik zei tegen de fotograaf: eruit jij, en laat ik je nooit meer zien. Later liep ik naar Welling met een gedicht dat ik even daarvoor had geschreven en waarvan de titel luidde: Over het gooien met asbakken. Ik liet het lezen aan die jazzcomponist die ook wel eens een opera doet, met zijn baardje en zijn scherpe ogen, ik ben zijn naam kwijt, dat komt zo, we gingen schaken toen en hij dronk bier, ik calvados, en hij zei: Frans! Dat is een mooi gedicht, poe hé. Maar dat motto in Moeder en Zoon van Reve, van Edgar Allan, getiteld Alone, had ik toen nog niet vertaald, dat kwam pas jaren later. The home is where the heart is maar hoe moet het met de hartelozen op de wereld dan. Reve is bijna dood, Hermans is al klaar wat dat betreft, Hermans die zo van katten hield en de tijd van het webloggen godzijdank niet mee heeft hoeven maken want dan had hij alsnog een hekel aan die dieren gekregen door die webstreeplogterreur, nee dan een hond maar dat gaat niet in de stad met goed fatsoen. Heeft een leven een motto en zo ja waar staan die 6,2 miljard motto’s dan. Mijn nieuwste vertaling is Honderd Tinten Wit van Preethi Nair en komt binnen twee maanden uit, bij Prometheus, ik zal een exemplaar verloten onder mijn trouwe lezeresjes en lezertjes ik zal eraan denken tenzij ik het vergeet dus weest u mijn geheugen dat sta ik toe. Van Winnie heb ik weken niets gehoord maar er was iets met zijn vrouw, die uit België komt ik weet het heus wel, ze werkt met kankerpatiënten. Vertalingen zijn per definitie knievallen en leiden tot misverstanden heb ik wel een goed beroep. Was Macmahon, jeweetwel bij de Avenue Niel, nu ook een marechal ik dacht het wel, maar welke oorlog dat is me ontschoten. Max de Jong is ook al jaren dood en zijn dichtbundel heb ik nog steeds niet kunnen vinden het is hier ook zo’n ongehoorde puinhoop. We kwamen een zwerver tegen in het Zuiden die blond was en niet eens stonk, hij was 22 dacht ik, hij liep over de Boulevard Marechal Joffre; een dichter had hij kunnen worden, maar ik weet nog dat ik dacht: die knakt in de knop, hij draait zijn eigen nek om. In ieder geval zal hij geen succesvol leven leiden want succes dat vereist aandacht en fatsoen. Mijn moeder heeft twee zusjes en ze komen allemaal uit Groningen, dat wil zeggen uit Veendam, zo ziet u maar dat ik nooit lieg, althans u merkt er weinig van. Mijn vrouw houdt niet van stierenvechten en mijn vrienden ook niet. Toch moet ik doorzetten en het verhaal over Céret eens afmaken, dat had ik Aukje ook beloofd. Sander Hohage schreef eens een boek over een mislukte tocht naar de Andaman-eilanden, maar daar schrijf ik nog wel eens over, u krijgt nog heel wat van mij te horen, is ‘t niet goedschiks dan maar kwaadschiks. Ooit een s-bocht met 80 km/uur genomen? Ik wel, maar ik viel uit de auto, de schade bleef beperkt; in Béziers was dat, of nee, Sérignan, dat ligt er vlakbij, dat wel. Wat vind je van die lange teksten, je houdt er niet van, je bent liever snel klaar, hup een reactie en we zijn weer klaar, we moeten door, godverdomme. Ik vraag me steeds vaker af waarom ik dit doe zonder er een stuiver voor te vangen, ik doe het niet voor de lol. Het axe-effect bereik ik liever met Le Troisième Homme de Caron, ware het niet dat dat parfum al tien jaar uit de handel is. En nu we het toch over parfum hebben: vier jaar lang had ik een Spaans luchtje, maar dat verdween ook weer en nu doe ik het met Chrome, van Azzarro. Martine Bijl zag er verdomd slecht uit laatst op tv, ik dacht: je had een oma kunnen wezen, maar je hebt geen kinderen. Je zoekt en zoekt en bent blij met wat je vindt al had je er niet naar gezocht. Omdat roken niet goed is voor mijn gezondheid, moet ik ermee ophouden en dat doe ik ook, op 1 januari, en dat lukt. Mensen die niet kunnen spellen, spellen ellingman, die niet bestaat. Mag het weer: neger? Het is een woord dat je in zeker gezelschap niet gebruikt. Mijn vrouw heeft haast, we moeten bijna eten, eerst in de taxi, al zal Walter dat niet goedkeuren. Mijn vreemde vriend. Ik doe het toch. Wat heeft die beurs toch de laatste tijd, ik volg hem elke dag al heb ik nooit een aandeel bezeten. Tennissen doet mij denken aan haarbanden, aan Björn Borg en aan diens topspin-effect. Lieve Merel, ook jou wens ik een weekend vol rust. Vanaf maandag ga ik weer vertalen aan een nieuw boek, ‘t is van een Ierse je hoort er nog over. Iets minder zuipen volgend jaar, hoewel, het viel best mee, maar het jaar was zwaar vandaar. Mescal! zei de consul, en jij weet uit welk boek dat komt nietwaar, zeg het maar. Toen ik jong was, dacht ik niet de dingen die ik nu kan denken, en nu denk ik: was ik maar jong. Wat klopt hier niet? In het kader van de bezuinigingen gaan we volgend jaar maar ergens anders wonen, maar ik vertel je lekker niet waar, want dan is het geen verrassing meer. Gerard Reve, da’s pas leven. Ook jij zag er fantastisch uit, ze woonde in Madrid, dag Ingrid, ook jij zag er fantastisch uit (uit Limonadeglazen Wodka van Spinvis, wat een held). Volgend jaar weer naar Céret. Er komt nooit iemand op ellingmann.com en trouwens: wie schrijft later mijn biografie? Nu alleen die naam van die jazzcomponist nog. Ja, ik weet het weer, dat was Theo Loevendie.   reageer |
» Der Stand der Dinge Ellingmann mulisch interview harry met gedicht frans poe edgar allan alone the reve hermans hond motto vertaling denken winnie vertalingen marechal max joffre dichter in zusjes stierenvechten sander s lange godverdomme. de axe over spaans bijl zoekt gezondheid ellingman neger woord vrouw effect m vertalen zuipen mescal jong kader gerard van ceret com biografie   zes reacties |
» De kunstschilder aan het woord Fabrice: 'Ik leid een druk bestaan. Op sommige dagen spelen ambachtelijke zaken de hoofdrol: kennismaking met klanten, nummeren van schilderijen, dat soort zaken. Maar het eigenlijke schilderen is de hoofdmoot, en voltrekt zich golfsgewijs. Na een werkzame periode, vlak na een opening bijvoorbeeld, ontstaat er vaak een emotioneel gat. Het is een chaos in het atelier, de materialen zijn op, het gereedschap is vuil. Dan ga ik de boel opruimen en laadt de accu zich weer op. Meestal duurt dat ongeveer een week. In zo'n periode kan er stress ontstaan. Ik vraag me dan af of ik het nog wel kan. Maar als de panelen er weer staan, dan voel ik de inspiratie naar boven komen. Soms heb ik die niet, maar dan kan ik achteraf meestal wel aanwijzen hoe dat komt: de kwasten waren immers niet schoon, ik had niet de juiste materialen.
Wanneer ik mij totaal wil ontspannen, ga ik naar mijn tuintje, buiten de stad. In de stad heb ik, mede door mijn werk, heel veel sociale contacten, drukte aan mijn hoofd, noem maar op. Dus om echt tot mezelf te komen, moet ik weg uit de stad. Ik moet naar een andere wereld. Dat moet een plek zijn waar mensen ook niet bij kunnen of in kunnen kijken. Ik heb het tuintje nu een jaar of vijf. In de loop van die tijd zijn er bosschages en bomen omheen gegroeid: ik ben dus helemaal op mezelf. Ik ga daar zitten en observeer de insecten en de planten. En terwijl ik daar zit te observeren, word ik zelf langzaam kleiner. Op een gegeven moment ben ik zo groot als een luciferhoutje. Dan komen er bijvoorbeeld allemaal blauwe libellen aangevlogen. Dat zijn in mijn belevingswereld, in de microwereld waarin ik dan leef, enorme helikopters. Ook toen ik nog klein was, bleek dat een manier om te ontspannen. Ik leef dan dus niet in een science-fictionwereld: de werkelijke wereld heeft voor mij van zichzelf al voldoende science-fictionelementen. En mijn tuin is het ideale toneel voor die ervaring: ik ben klein, wandel langs de planten, zie die enorme insecten, en observeer. Zonder zorgen.'   twee reacties |
» Een witte wolk en een uitzicht zonder einde Het was alweer drieëntwintig en een half jaar geleden (29 april 1980, Joan Armatrading) dat Ellingmann voor het laatst een concert had bezocht in Muziekcentrum Vredenburg. Er bleek het een en ander veranderd — niet in het Centrum, maar in Ellingmann. Dit was zo'n avond waarop je dat met weemoed en verbazing vaststellen kunt, waarop je vruchteloos probeert drieëntwintig en een half jaar in één zin onder te brengen.
Spinvis treedt op. Nooit iets van die man gehoord, hoogstens over hem gehoord.
Maar bij het betreden van de zaal gaat het mis. Ellingmann kijkt rond, neemt de mensenmassa in zich op, herinnert zich glimlachend dat hij enige malen in die drieëntwintig en een half jaar in trams, bussen, treinen en concertzalen is overvallen door een beklemmingsaanval, bedenkt zich te laat dat het aanroepen van die herinnering in het verleden fatale gevolgen placht te hebben en wordt datzelfde moment getroffen: eruit, eruit hier, weg, de uitgang, niets moet, alles mag, grijp mij niet zo onbeleefd bij de keel zeg, hoe is het mogelijk dat een ander zich hier weet te handhaven, o massa's wijkt uiteen, mogen die muren neer, mag dat plafond eraf, verlaat mij en laat mij met rust, waar drijft de witte wolk waarop ik mij neervlijen kan, waar is het uitzicht zonder einde.

Ellingmann heeft tijdens het voorprogramma zijn plaats boven in de zaal verlaten en staat bij de uitgang, die Poort naar het Paradijs van troost en rust. Maar bij de eerste noten van Spinvis' eerste nummer, Limonadeglazen wodka, blijkt dat vluchten niet meer hoeft, de beklemmingsaanval is door die man op het podium afgeslagen, dankjewel man, en al snel drijft Ellingmann op een witte wolk en geniet van uitzichten zonder einde.   vijf reacties |
» Voor Hildegard 'Was ich noch zu sagen hätte, geht in eine zigarette...' Hoop dat m'n vervoegingen kloppen, want ik heb Duits laten vallen in de vierde en bovendien rook ik niet (meer). Maar ik vond het zo sneu... Niet zo somber Ellingmann (is dat geen Duitse naam?), de dagen gaan wel weer lengen.
Hildegard - 16 december 2003

Lieve Hildegard,

Dit was de mooiste reactie van allemaal. Al je vervoegingen kloppen ('dauert eine Zigarette'). Ondanks dat je je Duits hebt laten vallen, beheers je die taal aantoonbaar beter dan al mijn vrienden.
Ellingmann is een ontstellend Duitse naam. Ik zal je dat binnenkort uitleggen, ik ben het mijn oma (en jou nu ook) verschuldigd.
Ik dacht zojuist: ik laat je gedichten lezen uit mijn portemonnee, ik ken je helemaal niet, niemand kent je, Hildegard, maar zonder liefde warme liefde, echte liefde, waait de wind, de stomme wind, weent de zee, de grijze zee, lacht de duivel de zwarte duivel.   elf reacties |
» Reageert massaal! Want het kan weer...   elf reacties |
» De dood is blauw, de dood is rood Zij — Ellingmann en twee of drie jongens die jonger zijn — lopen over een smalle asfaltweg die omhoogloopt en leidt langs het kerkhof. De weg, waarop her en der verspreid stukjes glas liggen, is omzoomd met bomen. Een van de jongens schiet met pijl en boog, een ander heeft een skelter waarop hij af en toe rijdt. Ellingmann houdt hen scherp in de gaten.
Er ligt een man op de weg. Hij is dood en heeft een rood overhemd aan. Zij lopen over hem heen zoals je over een dode tak heenloopt. Ze praten nauwelijks over de dode man: 'Kijk wat daar ligt.' Ellingmann voelt zijn buik met zijn voeten en meer niet.
De weg loopt nu naar beneden. Verderop ligt een dood kind in de berm. Het heeft een blauw truitje aan, hemelsblauw. Het is even oud als de jongens met wie Ellingmann is, een jaar of tien, elf misschien, en daarom verontrust deze dode hem meer dan de man met het rode overhemd.
Het wordt nu überhaupt roder en bruiner om Ellingmann heen (herfstbladeren, verschroeid gras, bakstenen muurtjes) en het verbaast hem dan ook niet dat hij even later wordt aangesproken door agenten van politie die in jeeps op hen af zijn komen rijden.
De jongens met wie Ellingmann was, ziet hij wegrijden in een grote Amerikaanse auto — vertrouwen deed hij hen toch al niet — en hij blijft achter bij de agenten. Hij legt hun uit dat hij met de dood van de man met het rode overhemd en het kind met het blauwe truitje — dat is hij immers zelf! — niet meer te maken heeft dan een ander die over de weg heeft gelopen.   een reactie |
» Mevrouw aan het woord Mevrouw: 'Vlak na de oorlog ben ik getrouwd. Mijn man had een goede betrekking en ik kreeg in die tijd een flinke erfenis. Zodoende konden we een knots van een villa kopen in een van de duurdere wijken van de stad — een buitenkansje. Een tuin achter het huis en uitzicht op het park, en het huis zelf telde maar liefst veertien kamers! Verrassende nisjes en erkers, wenteltrappen, een balzaal van een woonkamer, houten vloeren. Een sprookjeskasteel. Er waren altijd logés, iedereen was welkom.
Later, toen de kinderen het huis uit gingen, werd het stil. Niet lang daarna overleed mijn man vrij plotseling en toen zat ik alleen. Er was veel woningnood in die tijd, eind jaren zestig, dus ik besloot mijn kamers te verhuren aan studenten. Villa KakelbontIk vroeg niet veel geld, en ik was niet streng. Natuurlijk kwamen ze wel eens tipsy thuis, en maakten dan lawaai. Of ze hadden al te veel logés. Daar zei ik wel iets van. Maar de sfeer was altijd prima, en ik was nooit alleen. Zij noemden ons huis Villa Kakelbont.
In die periode zag ik de buurt langzaam veranderen. In steeds meer huizen vestigden zich makelaars- en advocatenkantoren. En met de bewoners verdween gaandeweg de sfeer. Sinds een paar jaar woon ikzelf in een verzorgingsflat, niet eens zo ver van Villa Kakelbont vandaan. Af en toe neem ik een taxi en laat me erlangs rijden, stapvoets. Er woont niemand meer in mijn huis. Er zit een adviesbureau in, met medewerkers die aan het eind van de middag vertrekken. Van sprookjeskasteel naar spookkasteel.'   tien reacties |
» Gerard Reve tachtig jaar oudt In NRC Handelsblad is de afgelopen maanden een reeks artikelen gepubliceerd waarin bewonderaars hun favoriete citaat uit het werk van Gerard Reve kenbaar maakten.
Ellingmann blijft niet achter.

'En tot dat soort leven, in stilte, een altijd eender uitzicht op een dal of op de zee, oude kerkhoven ("gelijk het gras is ons etc.") een zich waarschijnlijk nooit wijzigend menu van gestoofde vis met enige kruiden en een gekookte vrucht, 1/4 liter wijn per dag en savonds, bij het invallen van de scherming en het geraas van krekels, peinzend 3 kleine glaasjes goedkope konjak, vloer met fijn zand aanvegen, olielamp bijvullen, en eindeloos terugdenken aan vroeger, wil ik me bepalen.'

Gerard Reve: 'Brief aan Josine en Lennie M., 29 maart 1963', in: Gerard Reve: Brieven aan Josine M., 1959-1975. Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1981, blz. 32-33.   zes reacties |
» Eindelijk weer eens Echt Nieuws Clarence Seedorf (AC Milan) mist de derde penalty tijdens de strijd tegen Boca Juniors om de Wereldbeker in Japan (1-1 na reguliere speeltijd & verlenging).   twee reacties |
» Dag vriendjes en vriendinnetjes! Oom Ellingmann zal jullie eens een fijn verhaal vertellen. Fijne verhalen, die spelen altijd vroeger, dat weten jullie ook wel. Wanneer je zegt: 'Er was eens...', dan is het allang voorbij, nietwaar? Mooi.
Nou, vroeger, toen was oom Ellingmann vaak een beetje somber. Hij zat in zijn souterrain — dat is een huis dat uit één kamer bestaat met een plafond zo laag dat je het kunt aanraken — en keek door zijn twee getraliede raampjes, die elk niet groter waren dan een schooltas. 't Was net een gevangenis! riepen zijn vrienden later, maar dat riepen ze toen oom Ellingmann al lang en breed ergens anders woonde. Oom Ellingmann lag dikwijls op zijn bed, in het souterrain, en deed net of hij in het ruim van een schip was. 'Toettoet!' Daar ging het schip. 'Zie je wel dat ik vooruitga?' bromde oom Ellingmann dan. Hij telde de dwarsbalken aan het plafond en kwam elke keer weer op dertien uit. 'Dan maar de stukjes tussen de dwarsbalken,' dacht oom Ellingmann, want hij wilde niet onder dertien dwarsbalken liggen. Veertien reepjes plafond van tachtig centimeter elk. Kun je nagaan hoe lang dat scheepsruim was. Bijna twaalf meter lang!
't Was oom Ellingmann in die tijd vaak droef te moede. Wat wil je met zo'n laag plafond, en zo weinig licht! Hij vond daarom dat er flink getroost moest worden: dat was het allerbelangrijkste, had hij begrepen. Van de weeromstuit ging oom Ellingmann treurige liedjes draaien op zijn pick-up, zoals 'Nun komm' der Heiden Heiland'. Daardoor kwamen er steeds minder vriendjes en vriendinnetjes bij hem spelen, want die hielden natuurlijk van opgewekte muziekjes, net als jullie. 'Bach, bah!' zeurden ze. Niet van dat zware, waar je somber bij moet gaan kijken. Wat een rotkinderen, nietwaar? Dat oom Ellingmann zei: maar begrijpen jullie dan niet dat je er juist vrolijk bij kunt kijken, dat je eigen ellende nooit zo zwaar kan wezen als de ellende in die muziekjes? dat was paarlen voor de zwijnen, bij wijze van spreken.
Het eind van het liedje was dat oom Ellingmann de deur niet meer opendeed en de telefoon niet meer opnam. Wanneer het mooi weer was — er vielen misschien twee zonnestralen door zijn getraliede raampjes, meer niet — kwam het wel voor dat hij het huis uit sloop om in het park te gaan zitten, dat op een steenworp afstand van het souterrain lag, maar niet nadat hij zich ervan had verzekerd dat er niemand was die hem erop betrappen kon.
In het park werd er immers niet aan de deur gebeld en er hingen geen telefoons aan de bomen.
Maar meestal bleef hij binnen, hoor. Dan zat hij achter zijn bureau en schreef met zijn Hoover-vulpen uit 1929 lange brieven aan zijn vrienden. Wil je wel geloven dat die brieven soms 130 bladzijden lang waren? Hij noteerde dan zijn dromen (over Kruidenazijn, of over de Bülowstraße), of hij schreef wat hem was overkomen. Er kan je nog heel wat overkomen hoor, als je er zo aan toe bent als oom Ellingmann toen!
'Maar waarom was je dan zo verdrietig, oom Ellingmann?'
Wat kan het je schelen! Oom Ellingmann heeft jullie een fijn verhaaltje verteld, dát is belangrijk. Waar hij die verhaaltjes vandaan haalt, dat speelt geen rol, toch? Gelukkig heeft hij een afschrift gemaakt van al die lange brieven van vroeger, dus hij heeft nog veeeeel meer verhaaltjes.
Oom Ellingmann moest deze week ineens veel terugdenken aan zijn jaren in het souterrain, dat was alles.   dertien reacties |
» Over kruidenazijn We rijden met motoren over de snelweg. Ik moet het tempo bepalen en rijd derhalve voorop. Om te zien hoe hard ik rijd, heb ik een sigaret tussen mijn vingers. Aan de hand van het tempo waarin die opbrandt, kan ik de snelheid van mijn motor bepalen. Honderdtwintig km/u is de afgesproken kruissnelheid. Maar de sigaret brandt te langzaam weg, zie ik na een poosje, dus ik ga harder rijden.
Ik hoef niet in mijn spiegels te kijken, men volgt mij.
In de verte staan borden: er is een wegomlegging. Ik neem aan dat de anderen het opgemerkt hebben, al maak ik mij daar nauwelijks druk om. Overal voor mij doemen borden op. We worden van de snelweg af geleid en het verkeer zal nu een stukje over provinciale wegen verder moeten rijden.
Als ik aan het eind van de afrit van de snelweg aangekomen ben, zie ik niet meer waar ik heen moet. Anderen ook niet, dacht ik. Het is een chaos op deze splitsing. Sommigen voor mij gaan links, anderen rechts. Ik weet dat ik rechtdoor moet, al loopt daar geen weg. Ik rijd een grasveldje op en volg later een zandpad. In de verte zie ik een terrein liggen waar iets gebeurt.
Om de anderen bekommer ik mij inmiddels niet meer; zij zullen hun eigen terrein, hun eigen weg wel gevonden hebben. Maar ik geloof dat ik zelfs dat niet meer dacht.
Ik rijd stapvoets onder een welkomstbord door en bevind mij in een soort openluchtmuseum. Er lopen toeristen rond die houten gebouwen in lopen, ze hebben witte petjes op. Ik stal mijn motor onder een afdak: een vrolijke man met zomerkleren aan komt op mij af. Hij zal mij rondleiden. Hij neemt mij bij de arm als een trotse museumdirecteur, wat mij niet in het minst geneert. We bekijken samen de kraampjes die over het terrein verspreid staan. Op traditionele wijze wordt hier kruidenazijn gemaakt, legt hij uit. De flessen staan op de houten planken van de kraampjes. Ik ruik het hout, ik ruik het gras waarover wij lopen, ik ruik de zuivere benzinegeur die van mijn afgekoelde motor walmt.
Blote meisjes en vrouwen zijn bezig flessen te vullen met takjes tijm en andere welriekende kruiden. Zij lopen rond alsof zij kleren droegen: ze bukken zich en strekken zich en huppelen rond met de takjes in hun hand.
We mogen salade proeven die is aangemaakt met de verse kruidenazijn. En ook de blote vrouwen en meisjes ruiken heerlijk: ik druk kussen op hun voorhoofd, ik schik hun haren. Natuurlijk: ik herinner mij de andere motorrijders, ik weet dat zij de weg misschien voor altijd kwijt zijn.
Maar uit dit paradijs hoef ik niet meer weg.   vier reacties |
» Het is nacht, Ellingmann komt tot zichzelf Het was mijn bedoeling je vanochtend, terwijl je de post doorneemt, te vergasten op een gedicht van Max de Jong, wat zeg ik, op het beroemdste gedicht van Max de Jong. 'Heet van de naald', heet 't.
Ik kan het niet vinden, op Internet niet, en in mijn boekenkast niet. Mijn boekenkast is een volkomen puinhoop. Het spijt me zo dat ik je dat gedicht nu niet kan laten lezen, en dat is niet het enige dat me spijt. Zal ik maar eens losbranden? Nou, ik denk er niet over.
Het gaat je niks aan, nietwaar. Bovendien besef ik dat het je geen ene hol interesseert. Mag ik je, met permissie, gelijk geven?
Ik probeer je aan te kijken, maar ik ken je niet. Schrijvers die boeken op papier publiceren, hebben dat probleem niet.
Wat zijn wij lekker eenzaam met zijn tweeën, vind je ook niet, hier op ellingmann.com.   twaalf reacties |
» Bob & George Zo direct komt George eten, maar we hebben, overmand door beslommeringen als wij zijn, niets voorbereid, dus dat wordt een tentje, welk tentje, we zien wel, nu staat hij beneden, nee! ze staan beneden, want Bobje is er ook bij.

Morgen een terugblik op een maand Ellingmann. 't Is nog niet veel soeps, ik weet het.   zeven reacties |
» Ellingmann met zijn vader in het Schwarzwald Fatsoen heeft niets te maken met een aangeharkte voortuin en met het drinken van zwarte bessensap.   vijf reacties |
» Buxus Mijn opa De Lange uit Veendam bezat een drukkerij in de Kerkstraat waar hij elke dag naartoe ging — zijn drukkerij. Hij had twee vaste medewerkers: Elles en Van Duijnen. Hij ontbeet 's ochtends, hoorde zijn duiven in de bijkeuken koeren en had een vrouw, drie dochters — mijn moeder was de jongste — en een huis. In het weekend moest hij het veld van voetbalclub Veendam keuren, en het is voorgekomen dat hij op een regenachtige zondagochtend het gordijn opzijschoof en vervolgens naar de club belde met de resolute mededeling dat het veld onbespeelbaar was. Opa was een van de eersten in Veendam die een auto had, een T-Ford, gewonnen bij een loterij. Hij had vrienden met wie hij bridge speelde in uitspanning Veenlust. Zij dronken daar een borrel bij.
Opa hield kippen, en wanneer hij op een zonnige lenteochtend de tuin in stapte, zei hij: 'Môge kipjes.' Om zelf te antwoorden: 'Môge meneer De Lange.' In die tuin stonden buxushaagjes. De geur daarvan bezorgt mij nog steeds een gevoel van opperste geruststelling. Plant maar buxushagen rond mijn graf.
Op zaterdagavonden las opa mij voor uit Het boek van Jan Willem, en daarna moest ik naar bed. Op zondag wilde hij de voetbaluitslagen horen op de radio, om half vijf, voorgedragen door Frits van Turenhout ('NEC - NAC: noel - noel'). 's Avonds aten wij een broodmaaltijd — wit brood, rijk belegd. Daarna reden wij terug naar Leersum.
Een bekende figuur in Veendam, dat was hij. Hij overleed op 14 oktober 1978, negenenzeventig jaar oud. Er verschenen stukken in de Groningse kranten.
Hij had grijs haar dat hij achteroverkamde en droeg een bril.
Maar ik heb geen dochters en geen T-Ford, ik ga niet elke ochtend naar mijn drukkerij waar mijn werknemers mij een prettige baas vinden voor wie zijn hun leven lang willen werken.   negen reacties |
» Terug naar huis Het gaat niet goed met Gerard Reve, u zult dat wel gelezen hebben. Hij dementeert. De kans dat er ooit nog een gedicht — laat staan een roman — uit zijn pen zal vloeien, is definitief verkeken.
Welingelichte bronnen melden dat hij inmiddels weer thuis is bij Matroos Vos wat, redeneert Ellingmann, niet veel goeds kan betekenen.

Speciaal voor Paul ter B. uit het Brabantse stadje T., maar ook voor andere liefhebbers en hen die overwegen dat te worden: Dagsluiting, voorgelezen door de Dichter in beter tijden.   vijf reacties |
» Breaking News (16.50 uur) Midden op de hoofdstedelijke Dam zijn ruim een uur geleden een man en een vrouw neergeschoten. De man is dood, de vrouw zwaargewond.
De politie heeft op de Ceintuurbaan een verdachte aangehouden.
Hier om de hoek!
'Wild West, hè...' zegt Ellingmanns vrouw.
'On déménage!' roept Ellingmann.

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

UPDATE: Schlijper was there.   vier reacties |
» Effect Je hebt een kater en daar wil je vanaf, nietwaar. Je rotzooit maar wat aan, de ene espresso na de andere, de ene sigaret na de andere, de dag slentert voorbij, en ten slotte besluit je een douche te nemen.
Niet schoon van binnen, dan maar van buiten.
Je waggelt naar de douche. Kijk eens aan! Wat staat daar? 'Axe Anti-hangover.' Een nieuwe douche-gel. 't Zal me benieuwen. Ik sop mij in en word binnen de kortste keren bevangen door een misselijkmakend geurtje... Een alcohollerig geurtje... Walgelijk...! Ineens zie ik voor mijn geestesoog het eten van gisteren... Rood vlees... Die tomatensaus... Biertje erbij, nog een biertje... Ober, een pichetje wit! En nog een pichetje wit...! Koffie met calva, heerlijk die calva, nog een dubbele calva... Afblussen met bier...
Voor ik het weet lig ik kotsend over de douchevloer te kronkelen.

Het Axe-effect: met een kater eronder, met een koningstijger eruit.

Evengoed wens ik u een heerlijk Sinterklaasavondje, natuurlijk.   zeven reacties |
» Drinkende schrijvers, schrijvende drinkers Striemende herfstregens, plotselinge windvlagen, glimmende trottoirs die glad zijn van goudbruine en lichtrode bladeren... Schimmen die met opgetrokken kraag en opbollende paraplu's langs de straten schuimen, op weg naar een warm en gezellig café, waar het al even goudbruine bokbier en de lichtrode beaujolais primeur enige troost kunnen bieden. Ja, de herfst is het uitgelezen jaargetijde om het eens flink op een zuipen te zetten.
Dat vinden de meeste schrijvers ook. Er is geen beroepsgroep die zich met meer enthousiasme op het innemen van grote hoeveelheden alcohol heeft gestort dan die van de schrijvers. Toch is er in een vroeg stadium al tegen drankmisbruik gewaarschuwd, en wel door God zelf. In Spreuken 20:1 laat Hij optekenen: 'De wijn is een spotter, de drank een luidruchtige, ieder die zich daaraan overgeeft, is onwijs.' En in zijn brief aan de Efeziërs waarschuwt Paulus: 'En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is.'
't Heeft niet geholpen. Gods woord, spreekwoorden ('Als de drank is in de man...') en overheidscampagnes ('Drank maakt meer kapot...') ten spijt drinken ze zich dag in dag uit welhaast een hartverzakking. Talloze schrijvers en schrijfsters zijn te bewonderen in cafés en proeflokalen, waar ze al jarenlang teren op die ene keer dat een door hen geschreven verhaal of gedicht werd afgedrukt in een literair tijdschrift of dat een al even drankzuchtige uitgever besloot hun roman te publiceren.
Het gros van de schrijvers beperkt zijn drankzucht niet tot de herfst: er valt immers elk seizoen wel iets te vieren of te betreuren. A. F. Th. van der Heijden, succesvol schrijver van vele dikke boeken die hem volgens schattingen een jaarinkomen van zo’n vier ton opleveren, noemt zich een kwartaaldrinker. Maar de oplettende cafébezoeker moet concluderen dat hij daarmee heeft bedoeld dat hij zich elk kwartaal overgeeft aan het drinken van 'grote, koude glazen bier met het bijna kauwbare schuim' (Asbestemming, uitgeverij Querido). Met zo'n inkomen kun je je wat permitteren, natuurlijk.
Gerard Reve is waarschijnlijk de bekendste drinkende schrijver van ons land. Zijn brievenboeken zijn getuigenissen van de strijd die hij voerde tegen zijn 'grootste Vijand'. 'Ik drink heel weinig, maar sta van een halve tot driekwart fles al zowat op mijn kop. Gedestilleerd mijd ik zoveel mogelijk. Wiskie, met ijs & water, dat gaat nog, maar jenever, Calvados, Mar, konjak & gin zijn mijn Vijanden,' noteert hij op 24 april 1966 in een brief aan 'de zusjes M.' (Brieven aan Josine M., uitgeverij Van Oorschot, 1981). Vier maanden later ligt hij in het ziekenhuis met 'een deficiëntie-delirium, veroorzaakt door te snelle vermindering van een dagelijkse dosis'. Maar uiteindelijk weet hij door een rotsvast geloof in zichzelf en vertrouwen in zijn katholieke God koning Alcohol de kop af te hakken. Op 14 december a.s. wordt Reve 75 jaar*, en ter gelegenheid daarvan verschijnt het eerste deel van zijn verzameld werk.
Ook schrijfsters weten hem af en toe flink te raken. Connie Palmen, die met onder meer De wetten en I.M. (beide uitgeverij Prometheus) maandenlang boven aan de lijst met bestverkochte boeken stond, staat bekend als een straffe drinkster. En Helga Ruebsamen heeft als bijnaam 'het drankorgel van Scheveningen'.
De lijst beroemde drinkende schrijvers uit het buitenland is onuitputtelijk: Ernest Hemingway, James Joyce, Dylan Thomas, William Faulkner, enzovoorts, enzovoorts. In het bekendste boek van Malcolm Lowry, Onder de vulkaan (uitgeverij De Bezige Bij), staat alcoholverslaving centraal. Het boek speelt zich af in Mexico, waar we de hoofdpersoon ten onder zien gaan aan onder meer tequila en mescal. Onder de vulkaan is fraai verfilmd door John Huston. Lowry zelf maakte het ook niet lang: in 1957 stierf hij, slechts 47 jaar oud.
Hoe kunnen schrijvers al dit leed voorkomen? Door naar Maarten 't Hart te luisteren. ‘Al mijn collega’s, A. F. Th. Van der Heijden voorop, zijn ongelooflijke drinkebroers,' schrijft hij. 't Hart drinkt zelf niet: 'Ik kan slecht tegen alcohol. Na drie pilsjes krijg ik direct barstende koppijn.' Dronken is hij nooit geweest: 'Ik ben al ziek voor ik te veel op kan hebben. Bij mij komt de kater meteen en niet de volgende dag.' Voor zijn met drank worstelende collega's heeft hij het volgende advies: 'Omdat je nog broodnuchter bent als je het eerste glas aangeboden krijgt, dan al je verstand nog bij elkaar hebt, is dat het glas dat je 't gemakkelijkst kunt laten staan.' Dus: 'Waar het op aan komt is: het eerste glas laten staan.' Typisch een redenering van iemand die na drie pils al op zijn kop staat, zal Van der Heijden zeggen.

* Ellingmann publiceerde dit stuk vijf jaar geleden in het geïllustreerde damesblad AvantGarde.   acht reacties |
» 'Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had' Een paar jaar geleden heeft Ellingmann een vraaggesprek gevoerd met Harry Mulisch, bij de schrijver thuis, aan de Leidsekade.
't Werd een onderhoud van ruim tweeëneenhalf uur.
Nadien schreef Ellingmann de tekst uit en leverde zijn stuk in bij het blad dat het zou publiceren. Toen hij het magazine in handen kreeg, bleek dat de redactie zijn artikel danig had verminkt.

Speciaal voor de lezeresjes en lezertjes van ellingmann.com, bij de Langere Stukken in het kader rechts: een exclusief interview met Harry Mulisch, op volle lengte en ongekuist.   twee reacties |
» Interview met Harry Mulisch 'Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had'

Harry Mulisch heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Een van de pareltjes die hij schreef, De pupil (1987), gaat over een jongen van achttien die vlak na de oorlog naar Italië vertrekt. Hij ontmoet een steenrijke vrouw van over de tachtig, de Vlaamse weduwe van de uitvinder van de veiligheidsspeld. Hij wordt gedurende enige maanden haar gezelschapsheer en baadt in weelde. De weduwe heeft besloten uit dankbaarheid Italië een kabelbaan naar de top van de Vesuvius te schenken. Samen met haar pupil zal zij die officieel openen. Maar wanneer ze naast elkaar in een stoeltje zitten, is de oude vrouw ineens verdwenen. Hoewel zij als eerste vertrokken, ziet de pupil plotseling allerlei mensen in de stoeltjes zitten die naar beneden gaan. Hij herkent ze vaag, al weet hij niet precies wie ze zijn. Vlak boven de top komt hij in de mist en ziet niemand meer.
Mulisch opperde ooit de theorie van de absolute leeftijd: de leeftijd die iemand altijd bezit, ongeacht zijn werkelijke leeftijd. De jongen uit De pupil heeft de leeftijd die Mulisch als zijn eigen absolute leeftijd ziet: zeventien, achttien.
'Ik, een buitengewoon opmerkelijke jongeman van achttien, even opgewekt als getourmenteerd, met een volstrekt onafhankelijke geest en een universele belangstelling, uitzonderlijk begaafd, met een mateloze ambitie, gecombineerd met een tomeloze werklust, daarbij ongetwijfeld creatief, met een aangeboren mensenkennis en een verbluffend originele fantasie, ook zeer geestig en ad rem, bovendien vrijwel volmaakt gebouwd en altijd smaakvol gekleed, welgemanierd, goed van de tongriem gesneden en bij dat alles van een hartveroverende bescheidenheid.'
Harry Mulisch over de absolute leeftijd, over vrouwen, over collega’s: 'Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had.'

'De pupil speelt vlak na de oorlog. Maar ikzelf was niet in Italië, toen. Mijn absolute leeftijd is zeventien. Dat is de leeftijd dat je geen kind meer bent, maar eigenlijk ook niet volwassen bent, en als iets heel onafhankelijks in de wereld staat. Ik tenminste. Dat zie je ook aan die schooiertjes die rotzooi trappen op straat. Die zijn ook allemaal zo oud. Zo tussen de vijftien en de negentien. Die leeftijd. Dat is een hele rabiate leeftijd, waarop jongens hele gekke dingen willen en doen. Dat kan je doen door op straat rotzooi te trappen of stenen naar de politie te gooien., maar in De pupil gebeurt het op die manier, op een meer intellectuele manier. Het is een leeftijd waarop je denkt dat je alles kan. Je hebt je eigen wetten nog niet vastgesteld, je hebt je nog niet gestoten aan het leven. Ja, sommigen wel, maar over het algemeen niet. Je denkt dat alles mogelijk is. Dan krijg je zo’n zelfgevoel als die jongen in De pupil. Bij mij is er veel van dat zelfgevoel overgebleven, omdat ik later nooit ben ingekapseld in een gezin of een baan, dat soort dingen. Ik ben altijd onafhankelijk geweest. Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had.
Tja, waar staat die veiligheidsspeld voor... Kijk eens, zo denk ik niet. Ik bedoel: dat moet een lezer maar zeggen. Voor de een zal het dit zijn, voor een ander dat. Ik heb het in drie weken geschreven. Ik vind een veiligheidsspeld een fantastisch ding. Die beschrijf ik dan ook. Stel je voor: je bent de uitvinder van de veiligheidsspeld en je krijgt voor iedere speld als is het maar een honderdste cent, dan ben je de rijkste man van de wereld.
De pupil zit wel in het centrum van mijn werk en ik heb het bovendien met de grootste lol geschreven. En nog steeds als ik erin kijk moet ik zelf ook lachen. 't Is leuk.
In De pupil zit die kabelbaan. De hoofdfiguur zit erin, en dan ziet hij de romanfiguren uit mijn oeuvre aan zich voorbijtrekken. Die komen uit die vulkaan, uit de aarde. Op een gegeven ogenblik ziet hij ze niet meer, dan zit hij in die mist, en dat zijn de figuren uit de romans die ik sindsdien heb geschreven. Dat wist ik toen zelf nog niet.'

Isengrim
'Mijn wereld is niet zoals die van Hermans. Hermans is zo'n beetje het tegendeel van mij. Het sadistische universum, en alles loopt mis, mislukt... Bij mij lukt er nog wel eens wat. Dat is niet mijn universum. Het is niet zo dat alles mislukt. Een hoop, maar niet alles. En in De pupil al helemaal niet. Een opgeblazen jongen die ontzettend overtuigd is van zichzelf, en niet een verscheurde Hermans-ziel. En dat is de absolute leeftijd. Die heb je ook al wanneer je zes bent. En wanneer je zestig bent. Dat is wat je bent. Dat is de leeftijd van je ziel. Laten we het zo zeggen. En dat verandert niet essentieel. Een jongen als Hermans was toen hij zeven was net zo'n Isengrim als toen hij zeventig was. Die is zijn hele leven misschien wel zeventig geweest. Maar je hebt ook jochies van twee jaar. Mensen die de absolute leeftijd hebben van twee jaar. Of tachtig. Maar die absolute leeftijd is een gimmick, het is een grap. Maar het is wel behulpzaam. Vrouwen hebben ook een absolute leeftijd. Ja. Je hebt vrouwen die zijn vrouwen en je hebt vrouwen die zijn altijd meisjes. En die hebben dus een veel jongere absolute leeftijd. Ook al zijn ze zestig, dan zijn ze eigenlijk nog maar veertien. En je hebt vrouwen die zijn altijd al vijftig geweest. Dat zijn echt vrouwen. Als je die feminsten ziet die vroeger de straat op gingen, dan kwam er hier zo’n hele stoet langs... Dat waren helemaal geen vrouwen. Dat waren meisjes. Daar was niet één vrouw bij. Vrouwen, die zijn zoals je ze ziet bij Albert Heijn en overal in de stad. Maar die liepen daar niet. En dat klopt ook. Want alleen meisjes hebben die spirit om de straat op te gaan. Al waren sommigen ook wel oud. Vijftig. Henny de Zwaan, een van de grote voorvechtsters, die is tachtig geworden. Die heb ik goed gekend. Maar die was twaalf. En dat was het leuke ook van haar. Er zijn ook meisjes, die woirden moeder, en die zijn dan de dochter van hun dochter zijn. Gekke moeders met volwassen dochters. Waarbij de moeder duidelijk jonger is. Je ziet het ook in vriendenclubs. Clubs van mannen, een pokerclub of wat voor club dan ook. Die zijn allemaal vijftig, ook al zijn ze het niet. En bij een andere club van mannen van vijftig, zestig zijn ze allemaal twintig.
Ik houd de Nederlandse literatuur niet bij. Nee, absoluut niet. Ja, ik kijk wel eens een boek in en ik lees besprekingen en ik hoor mensen dingen zeggen... Maar niet dat ik hier in de stoel zit en een boek lees. Wat moet ik er allemaal mee. Dan heb ik een kast vol boeken, die kast kost achthonderd gulden, en die boeken heb ik dan niet gelezen. Vroeger wel hoor. Ik bedoel: het is niet altijd zo geweest. Tot mijn dertigste las ik alles. Alles wat er uit kwam van Hermans of Vestdijk. Toen hield ik het echt bij. Maar op een gegeven ogenblik is het over. Althans, was het bij mij over. Ik wist het wel. Ik was geen lezer, maar een schrijver. Je hebt schrijvers, die zijn niet alleen maar schrijvers, maar ook literatoren. Hermans was ook een literator. Daar was hij tegen en daar was hij voor. Maar dat kan mij allemaal geen bal schelen. Het enige wat me kan schelen is wat ik zelf aan het doen ben. Ooit had ik een interview samen met Hermans. Maar die wou winnen. Het lijkt mij leuk om met zijn tweeën tot een bepaald resultaat te komen. Maar dat hele competitie-element, dat vind ik vreselijk. Da's leuk bij voetballen, want dan is er een uitslag. 2-1. Dan heeft die gewonnen, die verloren. Dat kun je bij literatuur of kunst nooit zeggen. Het competitie-element maakt de zaak eenvoudig. Wie is de beste schrijver, en hoe is de hiërarchie.
Ik heb een theorie gehad over klassen. Je zit steeds weer in de laagste klas.
Als je in de hoogste klas zit van de lagere school, of hoe heet dat tegenwoordig, de zesde, dan ga je naar de middelbare school, dan zit je weer in de eerste. Dan ben je weer de kleinste. En dan doe je eindexamen, en dan ga je studeren, en dan ben je een foet. En dan ga je schrijven, en dan ben je debutant. Dan word je de beste Nederlandse schrijver zullen we maar zeggen, en dan gaan we eens in Europa kijken. Ik denk niet over mezelf als de beste Nederlandse schrijver. Ik schrijf geen boeken om de beste schrijver te zijn. Ik schijf dat boek ook niet om ervoor te zorgen dat dit het beste boek wordt. Maar het boek moet zo worden als ik en het boek samen willen dat het boek wordt. En verder kan iedereen vervolgens doodvallen. Als ze zeggen: we vinden dat boek van je collega zus-en-zo beter, nou, goed. Best. Het boek is van de lezers. De lezers maken uit hoe het zit. En in de literatuur is het zo: zelfs deze generatie maakt dat niet uit. Is het Hermans, is het Reve, is het Mulisch? Dat maakt deze generatie niet uit. Dat maakt de volgende uit. Als we allemaal dood zijn.
Voor mij begon het literaire schrijven na de oorlog. Daarvoor heb ik wel wat gedachten opgeschreven. Toen kreeg je ieder jaar twee Vestdijks, en die las ik. Maar goed, hij is nu dood, hij heeft vijfenvijftig romans. Stel je voor, iemand wordt achttien, en die denkt: nu moet ik toch eens Vestdijk gaan lezen. Waar moet je beginnen? Waar moet je beginnen? Een schrijver hoort niet meer dan een negen of tien romans geschreven te hebben. Net als een componist: je moet negen of tien symfonieën hebben. Beethoven. Dat kun je overzien. Je ziet duidelijke verschillen. Je ziet bij elke symfonie precies wat het is. Maar kijk eens naar Haydn, Händel. Veertig symfonieën. Dat vervloeit in elkaar. Je moet ook niet te veel hebben geschreven aan romans. Maar je moet wel van alles geschreven hebben. Dat vind ik wel. Alle mogelijke soorten boeken. Alle grote schrijvers, Dostojewski, Kafka, die hebben niet meer dan een stuk of tien romans. Het proces, Het slot, Amerika, die heeft een paar van die dingen, en dat is het. Het mag niet te veel zijn. Bij Hermans zijn ze ook duidelijk zichtbaar. Nooit meer slapen is weer iets anders dan De tranen der acacia’s of dan De donkere kamer. Dat is te overzien. Maar bij Vestdijk niet.'

Duizend vriendinnen
'Ik heb niet kunnen zien dat er een groot oeuvre aankwam, maar ik was ervan overtuigd. Het was wel de bedoeling. Op een gegeven ogenblik werd ik schrijver, en dan ook echt. En niet eens een boekje hier en een boekje daar.
Er zijn wel dingen mislukt die ik geprobeerd heb. Romans waar ik aan begonnen ben. Of met verhoudingen... Ik heb ook een hele reeks verhoudingen gehad, maar dat heb ik nooit ervaren als mislukking. Het is op een gegeven ogenblik voorbij. Dan komt er iets anders. Ik ben nooit verraden. Dat kan namelijk ook. Ik heb voor zover ik weet nooit iemand verraden. Ik heb wel veel vriendinnen gehad. Misschien wel duizend. Waarom niet? Ik bedoel: een jaar heeft toch 365 dagen. Dan ben je er al in drie jaar, als je niet lui bent. Misschien wel aan de lage kant, duizend. Ik heb natuurlijk altijd vaste vriendinnen gehad van wie ik veel hield. Maar daartussendoor liep al dat soort kattekwaad. Dat is ook geen verraad. Dat gebeurde vooral voordat ik bekend werd, hoor. In Haarlem. Ik ben ruim zeventig intussen. Nu doe ik dat niet meer. Picasso ging ook naar een kroeg om meiden te versieren. Maar niet toen hij zeventig was. Maar toen hij vijfentwintig was. De mensen gingen naar de kroeg om een biertje te drinken en te kletsen. Dat heb ik nooit gedaan. Ik kwam daar om meiden op te pikken. Daarom ging ik naar de kroeg. En toen ik jong was had ik geen geld voor verwarming. Dus moest ik schrijven in het café. Toen ik veertig was, begon het al iets anders te worden. Ik deed dat overigens niet in de kroeg hoor, maar in cafés. Een kroeg is weer iets anders. Dat heeft iets gezelligs en zo. Dat is niets voor mij. Nee, Américain, dat soort dingen. Nu heb je ze overal, die grand cafés. Een groot café, daar hield ik van. Een leestafel, veel mensen. Zoals je nu hebt: Luxembourg, dat soort dingen. Dat vond ik leuk.

Toen ik achttien was, heette mijn vaste vriendin Ada. Ze was iets ouder dan ik. Ik was achttien, zij was tweeëntwintig. Ze woonde in de Tweede Helmersstraat, en ze had een baan bij muziekuitgeverij Donemus. Een mooie vrouw. Op de foto kun je dat ook zien. In Mijn getijdenboek staat die. Dat was mijn eigen absolute leeftijd. Maar die heb je op je achtste ook al. Op je zeventiende vallen je echte en je absolute leeftijd samen. En dan ben je als het ware het meest jezelf. Zoals iemand met de absolute leeftijd van vijftig op zijn vijftigste zichzelf is. Dan gebeuren de dingen. Dan ga je boeken schrijven zoals ik. Ik ga schrijven, maar een ander wil generaal worden, en die wordt het dan ook. Die zal dan op zijn vijftigste het lekkerst in zijn vel zitten. Op mijn zeventiende was ik het meest actief en toen is alles ontstaan waar ik eigenlijk nog steeds mee bezig ben. Dat is allemaal daar begonnen. Daar liggen mijn wortels.

Ik ben overal geweest waar ik wilde zijn. Niet in Afrika, Zuid-Amerika eigenlijk ook niet. Nee, maar wel Japan, Australië, en in heel Europa natuurlijk. Ik heb nooit ergens anders willen wonen. Ook niet vanwege de belastingen. Dan zit ik in België met 100.000 euro meer. En dan verveel ik me. Van het Reve, Hermans, die zijn hem allemaal voor de belastingen gesmeerd. Dan zit ik daar in Zuid-Frankrijk met mooi weer. Maar ik wil zo direct even de straat op en wat boodschappen doen... Ik heb nooit weggewild. Het heeft er misschien mee te maken dat ik een kind ben van immigranten. Ik ben in het buitenland, snap je? Ik heb niets met Nederland, zoals echte Nederlanders als Hermans en zo. Dat haten en zo. Absoluut niet. Mijn roots liggen heel ergens anders. Zoals je hier schrijvers hebt die kinderen zijn van immigranten, allochtonen die nu in Nederland schrijven. Hun roots liggen in Marokko, islam, dat allemaal. Zo voel ik me ook. Ik was een van de eersten. En die zullen altijd, al schrijven ze honderd keer in het Nederlands, heel veel te maken hebben met die cultuur. Dat is gewoon zo. En hun kinderen ook nog. Die zullen nooit op die manier een hekel aan Nederland hebben als Nederlanders dat hebben, zoals Jan Blokker dat heeft. Dat is echt Hollands. Dat is een echte Hollander. Dat soort. Dat heb ik absoluut niet. Het klimaat zou inderdaad de enige reden zijn. Maar dan zou ik nog niet naar Zuid-Frankrijk willen. Ik ben een stadsmens. Dus dan zou het Rome zijn of zo.

Hoe ver mijn macht strekt? Om politicus te worden moet je broers en zusters hebben, je strijdt met je broers en zusters om de macht. En van je vader en je moeder leer je dat vak. Maar ik ben enig kind en in die zin ben ik koning. Beatrix heeft nooit om de macht hoeven vechten.
God is een ander niveau. "Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten." Hoezo, in het diepst van mijn gedachten? In het diepst van mijn gedachten, dat vind ik een beetje stiekem. Ik ben een god die een boek schrijft. Ik bepaal wat er gebeurt in die wereld.'   reageer |
» Gooi nooit uw oude kranten weg! Zo af en toe overkomt het ons dat een totaal onbekende ons vervult van een groot medelijden. Ellingmann gebeurt dat nogal eens. Hij stelt zich die onbekende dan volkomen hulpeloos voor; er is voor hem of haar nauwelijks nog een uitweg te verzinnen. Het hele leven van het slachtoffer wordt gesymboliseerd in het ene, vernietigende detail waarvan hij bij toeval getuige is.
Op de radio hoorde Ellingmann vanochtend een oude vrouw die een vraag moest beantwoorden: waar is Florence Nightingale geboren. De vrouw zei: 'Engeland,' maar dat was, zei de presentator streng, niet goed. 'Ik had een krant waar het in stond,' zei de teleurgestelde vrouw, 'maar die heb ik zeker al naar achteren gebracht.'
Ellingmann zag de vrouw met een stapeltje kranten in haar hand naar het schuurtje achter in de tuin lopen, zoals zij dat altijd doet aan het eind van de week; haar leven speelt zich af in een reeks gewoonten die haar houvast geven en waarzonder zij binnen de kortste keren de controle over haar bestaan zou verliezen. Een ander zal niet op haar schelden omdat zij de kranten iedere week naar achteren brengt. De vrouw voert, zonder het te weten, een handeling uit waarmee ze niemand — ook zichzelf niet — kwaad zal doen: ze houdt zich aan goede gewoonten.
Maar nu is ze betrapt. Ze blijkt toch een hulpeloos slachtoffer te zijn geworden. Ze heeft niet kunnen vermoeden dat de stapel een antwoord zou bevatten dat zij een week later voor de radio moest geven. Ze wilde slechts dat het huis netjes was, er geen oude kranten in een hoek zouden liggen.   vijf reacties |
» Het ontvalsen van het verleden Tegen drieën 's nachts, wanneer ik in mijn bed lig en niet slapen kan, hoor ik de vogels fluiten. Wat denken die dieren? Die dieren denken niet, dacht ik. Ze fluiten op instinct, geloof ik.

Ikzelf maak ook fouten. Terugdenkend aan mijn kinderjaren ben ik er zeker van dat de winters jaar na jaar streng waren. Konden we niet altijd schaatsen op de Leersumse Plassen en liepen we niet door de sneeuw naar school? Scheen op mijn verjaardag (20 augustus) niet altijd de zon?

Het kwellendst zijn de fouten die ik niet denken kan. De borstel is met diezelfde borstel niet te reinigen, en ik beschik niet over een corrector (een Über-Ellingmann) die me de zaken juist laat zien — die, bij wijze van spreken, mijn geheugen ontvalst.

Ik herinner mij op instinct, geloof ik, en begin soms ineens te fluiten.   acht reacties |




© F. Ellingmann 2003-2007
rss = statistieken = mail

LANGERE STUKKEN

EERDER

November 2003
December 2003
Januari 2004
Februari 2004
Maart 2004
Juni 2004
Juli 2004
Augustus 2004
September 2004
Oktober 2004
Januari 2005
Februari 2005
Maart 2005
April 2005
Mei 2005
Juni 2005
Juli 2005
Augustus 2005
September 2005
Oktober 2005
November 2005
December 2005
Januari 2006
Februari 2006
Maart 2006
April 2006
Mei 2006
Juni 2006
Juli 2006
Augustus 2006
September 2006
Oktober 2006
November 2006
December 2006
Januari 2007
Februari 2007
Maart 2007
April 2007
Mei 2007
Juni 2007
Juli 2007
Augustus 2007
September 2007
Oktober 2007
November 2007
December 2007
Januari 2008