Wouter Bos (14 juli 1963), ex-Shell-manager en politicus uit het begin van deze eeuw, betrad mijn strijdperk en kondigde aan te willen zwemmen. Hij was overwerkt en wenste ontspanning.
Het was zomer, of in ieder geval mooi weer — zo mooi dat ik besloot hem naar een buitenbad te begeleiden. Het bad dat ik ken, ligt in een voormalige zandafgraving, in een kuil. We liepen naast elkaar, naar de rand van de kuil, beiden gekleed in korte broek en overhemd met korte mouw. We keken naar beneden. Op de plek waar elk zwembad (er waren er vier, in die kuil) had gelegen, verhief zich nu een hoop puin. Vier hopen puin in een kuil. ‘We moeten verder,’ zei Wouter Bos.
We hebben een trein genomen. Hij heeft zich snel omgekleed, want het volgende moment dat ik hem tegenover me zag zitten in de treincoupé, had hij tenniskleding aan. ‘Tennissen kun je ook al,’ dacht ik.
Toen we de trein uitstapten, kwamen er journalisten op hem af. Hij ontweek ze met de vanzelfsprekendheid die bij zijn positie past. We drongen ons tussen de mensen door en liepen naar de gravelbaan. Pas toen zag ik dat hij het tennisracket van mijn moeder uit het vorige stukje (The Dream Manager) in zijn handen had.
Ik zei dat hij met zulke wapens niet mocht strijden en onderdanig knikkend verliet hij de baan.
In het onlangs door de droombeheerder doorgestraalde beeld zag ik mijn vader en moeder zitten, beiden rond de twintig, aan een cafétafeltje in een joodse wijk van een onbekende stad. Mijn moeder, vaag glimlachend, had een tennisracket in haar handen met op de bespanning een reclame gedrukt, ik zie niet meer welke. Ik stond voor hen, bij het tafeltje, als een ober. 'Zal ik jullie eens vertellen wat je de komende jaren gaat overkomen?' zei ik trots. 'In mijn wereld is het al 2005.'
Ze bleef glimlachen en zei niets, ik geloof dat hij me ook aankeek. 'Je bent een eenarmige biljarter,' zie ik tegen hem zonder hem te zien. Ik voelde hem verbaasd kijken, maar dat zag ik niet, want daarvoor was hij te dichtbij. Hij stond op en liep weg, en ik ging achter hem aan. Mijn moeder kon immers niet mee, in dat tempo waarin wij liepen!
We zijn de bergen in gegaan. Hij wilde iets begraven, potjes waren het met inhoud, en ik heb hem geholpen. 'Daar hoort het te liggen, en het is beslissend dat je me helpt,' zei hij, maar nog steeds zag ik hem niet. Er stonden allemaal joden om ons heen in gevechtstenue, ze controleerden of het wel klopte wat we deden. reageer | ¶
Reims, 23 maart 1994 — Mijn haar dat uitvalt doet mij denken aan de dood die nadert — hoe zal ik eruit zien op mijn laatste dag. Een banale, misselijkmakende gedachte. Verder alles goed. Ik schrijf brieven aan werkverschaffers en debiteuren, want het leven ziet er hier een stuk helderder en ondanks dat niet eens triester uit. Wanneer ik terug ben in Amsterdam, zal ik spijkers met koppen slaan, zal ik ervoor zorgen dat mijn huis schoon is en blijft, zal ik mijn rekeningen bijtijds betalen, zal ik een geschikt werkje zoeken dat mij niet aan het land bindt maar wel voldoende geld oplevert, geld, geld, geld. En af en toe een welverdiend glas bier.
Zelfs romanschrijven lukt mij hier, wanneer Angélique bezig is les te geven voor FF 100 per uur.
Energie, bij wijze van spreken, en op tijd naar bed, op tijd eruit, het oude rhythme van zeg 14.00 uur tot 06.00 uur ingewisseld voor een rhythme van 09.00 uur tot 01.00 uur, ik zie nu gewone dagmensen, dag mensen, een andere wereld in veel opzichten, waar ik van geniet in de wetenschap dat in Amsterdam de nacht weer wacht — met mate.
3 april — Mijn paasontbijt bestond uit drie glazen champagne. Vervolgens werd er in familiekring tot vijf uur ‘s middags copieus gedineerd met magnum-flessen rode wijn en, bij het voorgerecht, een lichte Sancerre (rosé). Als afsluiting kwam er een digestif op tafel met een alcoholpercentage van ik dacht 65 %, en toen ook die fles geheel geleegd was, gingen wij naar een enorme hal waar een antiekmarkt (marché aux puces) gehouden werd. Behalve een schat aan lelijke Louis-XV-kasten, -tafeltjes en -stoelen, glazen, asbakken, kandelaars, spiegels en flutromans, was er ook een bierkraam neergezet waarin een paar halfdronken Vlamingen luidruchtig aan het tappen en innemen waren. Ook ik kreeg te drinken — mijn taal was mijn alibi.
6 april — Eergisteren (Tweede Paasdag) kwam Martèl langs met de auto. Hij was bij zijn vader geweest in de Vogezen, die heeft daar een eilandje gekocht met een huis erop. Ellis had thuis van alles te doen en was niet mee. We dronken wat en gingen vervolgens op zoek naar een hotel voor één nacht — hier slapen kan alleen als je een matje en een slaapzak meebrengt.
‘s Avonds kwamen Angélique’s moeder (Colette), broertje (Samuel) en pleegvader (Roland) langs. Laatstgenoemde is hypergevoelig in de goede zin van het woord en houdt volgens mij meer van mannen dan goed voor hem is. Martèl kon dit later bevestigen. Maar het mag niet hè, van de kerk.
Gedrieën aten we terwijl de haard brandde in de salon. Wij discussieerden op aangename wijze over politiek, kunst en wetenschap en sloten het diner af met enkele glazen Armagnac. Om twee uur besloten we alsnog naar een boîte te gaan, Aquarium geheten, waar we bier dronken voor FF 45 per flesje. Op die momenten vind ik het bijna gênant dat Angélique niet drinkt, althans niet overvloedig.
Er is voor een FF 800 pils doorheen gegaan. Daarna terug hier naartoe, nog wat Armagnac. Martèl naar zijn hotel. Ik moest overgeven want ik kan die combinaties niet aan.
De volgende middag belde hij op vanuit Amsterdam: hij was meteen teruggereden; of wij de hotelrekening wilden voldoen, hij zou het geld opsturen, die mensen waren nog niet wakker geweest om 7.00 uur ‘s ochtends.
Alles bij elkaar een zeer geslaagd bezoek. Martèl verbaasde zich erover dat ik mij kon handhaven in deze andere wereld, waar schoonvaders en -moeders op de loer liggen, waar ik mij moet aanpassen aan de regels die hier heersen, en dat zijn er meer dan een argeloze toehoorder zou denken. Martèl heeft het gemerkt. Maar het gaat mij goed af, er loopt hier niemand over mij heen.
7 april, ‘s middags twee uur — A. geeft nu les wat mij in de gelegenheid stelt alles te schrijven wat wie dan ook verboden heeft, terwijl Miles Davis zijn trompetklanken ten beste geeft — Highway to Hell.
Een aantal dagen geleden vertelde Patrick, de man van Angélique’s zuster Diane, mij dat hij er na het lezen van talloze boeken over en van kunst achter is gekomen dat het in de belletrie wat hem betreft om maar één ding gaat: heeft de auteur iets te vertellen of heeft hij niets te vertellen. Dit lijkt, na het lezen van al dat moois, een wat pover standpunt, maar dat is het niet. Patrick heeft gelijk. Probeer maar eens een boek te schrijven, dan kom je er wel achter.
Vandaag is Eric jarig, de officiële vriend van Samira. Hij wordt 35, een goede jongen die lijdt onder de strapatzen van zijn warmbloedige vriendin. Hij wil trouwen, kinderen misschien, s’installer, maar zij doolt nog, zij wil de kunst van het onzekere leven inademen. Hij belt mij telkens, of wij zullen gaan drinken, of ik in zijn tuin kom werken.
Angélique heeft Die Angst des Tormanns beim Elfmeter in het Frans (l’angoisse pour le penalty du gardien de but, o.i.d.) voor hem gekocht.
Hij heeft een Déesse en een mooi huis even buiten Reims dat aan zijn vader toebehoort, met een tuin. In september zal hij, zo zei hij mij, definitief van Samira scheiden: zij biedt hem geen ruimte, voor niets. Een Einzelgänger, net als ik, net als jij. Van de zomer, of misschien eerder, komt hij een keer in Amsterdam. Ontmoet hem. (Hij spreekt Duits, ook nog.)
Maar drinken moet hij. Tot hij er bij neervalt. Met zijn kin op de bodem van de hel moet hij, die man met zijn vijfendertig jaren en zijn praatjes dat alles wat hij nu beslist, definitief is. En daarna terugkomen en vertellen. En wij vragen: ‘Ja, nee, maar hóe eenzaam was je…’ ‘Ja, maar hóe graag wilde je de marteldood sterven…’ ‘Ja, maar hóezeer verlangde je naar alles waarvan je wist dat je het toch nooit hebben zou…’ En dan in tranen, en wij troosten, gezamenlijk drinken en dan naar bed want morgen wacht er weer een belangrijke dag die nooit meer terugkomt, amen.
| ¶Daar rijdt een vrachtwagen met een Frans nummerbord en we kunnen mee, wat ben jij nog fris zeg, je lijkt wel… wel twintig. In de verte doemt de kathedraal met die pastoor van jou, en dan zijn we thuis, denk je niet, ik wil jouw kop thee. Volgens mij speel jij of we getrouwd zijn, alles werkt mee, maar ik niet, want ik wil jouw koelkast niet. Kijk eens hoe je trippelt over straat, klik klik, en koop dat boek dan maar: l’Angoisse du gardien de but au moment du penalty. Wist je dat ze in Parijs ook een Vrijheidsbeeld hebben.
Ik geloof dat ik boos was op jou, of jij op mij, zoiets was het. Ik ben bijna tweeënveertig, hier heb je ze allemaal: no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no no.
Vorige week speelde de Noorse band Washington uit Tromsø na twaalven ‘s nachts in de bovenzaal van Paradiso voor vijftien man publiek. Het toch al smalle gezichtje van de zanger (22) werd bleker naarmate het einde van het optreden dichter naderde. Tijdens de toegift — hij stond nog alleen met zijn gitaar en zong een ballade — had hij zich verzoend met de nederlaag: als een kapitein stond hij in dichte mist op de voorplecht van zijn zinkend schip en vuurde zijn laatste kanonskogel af.
Na afloop wilde ik zeggen: je moet naar huis bellen, ze moeten alles weten. Ik heb dat niet gedaan, ik vroeg iets anders. En toch heeft hij later die nacht zijn zusje gebeld.
— Hoe ging het? vroeg ze met een dikke slaapstem.
— We hebben bijna alles gespeeld. Volgens mij vonden ze het mooi, maar misschien heb ik het mis.
(Morgen: A Punchup at a Wedding)
Ik probeer eerlijk te zijn, daarom zet ik het commentaar af. Vroeger, als je in de bladen stukjes schreef of verhalen, hoefde je het commentaar niet af te zetten, want dat bestond niet, nu wel. Het is een nieuw medium.
Het liefst schrijf ik over mijn vader, dat komt omdat hij er niet meer is. Eergisteren zag ik een fabriekje, ik werd meteen verliefd op dat fabriekje, want het was een fabriekje waar mijn vader en ik op af zouden zijn gegaan. Je zoekt, zelfs met je vader aan je zijde, tevergeefs.
En toch wordt het twintig graden dit weekend!
(Morgen: I Might Be Wrong)
Vandaag lag er een brief in de bus van de Postbank die opent met de zin: 'Laten we hopen dat u geen ongeluk krijgt.' Mij wordt een gratis ongevallenpolis aangeboden met een looptijd van vijf jaar, zonder enige verplichting.
Een begrafenisverzekering.
'Een bijzonder gebaar,' oordeelt de Postbank over deze aanbieding. Ik zie mijzelf ten grave gedragen worden, in Leersum (overigens de duurste begraafplaats van heel Nederland, ik hoop dat mijn nabestaanden dat beseffen, en ik hoop ook dat ze beseffen dat de plechtigheid wordt opgeluisterd door live muziek, dat wil zeggen dat er een koor optreedt dat stukken zingt uit de Matthäus Passion, en dat Tom Yorke komt zingen, in zijn eentje, want dat is minder prijzig), in Leersum, zei ik, waar de bossen ruisen en de vogels zwermen en de doden op café gaan in het Koninkrijk der Hemelen — ik verheug mij nu al.
Mijn lieve vrouw heeft een voorschot genomen op de gang van zaken door de inhoud van deze website in zijn geheel in de prullenbak te werpen. Maar ik ben er nog! We hebben al veel stukjes teruggevonden, en wat werkelijk verloren is, zal de moeite van het lezen niet waard zijn geweest. Het zijn flarden, nietwaar, proeftuintjes, moestuintjes. Er is nog geen hovenier aan te pas gekomen, laat staan een regisseur. | ¶
