20 November 2009

Herman Kuiphof († 19 november 2008)

Ik ben geboren op 27 oktober 1919, in Franeker. Ik ben nu dus 84. Mijn vader was een Fries, mijn moeder was geen Friezin. Bij ons thuis werd geen Fries gesproken, want dat wou mijn moeder niet hebben. Die dacht: dan gaat mijn vader allemaal mensen in huis halen tegen wie hij geweldig gaat zitten opscheppen en dan versta ik geen woord. Ze is vroeg gestorven.
In 1938 ben ik op de krant gekomen, als leerling-journalist. Dat was De Nederlander. Onderkop: Christelijk-historisch Dagblad van Nederland. In 1942 werd ik verslaggever en na de oorlog ben ik begonnen bij de Haagsche Courant. Zo rond ’61, ’62, ben ik via de VPRO bij de televisie terechtgekomen. Ik had een goede, lichte stem. Hij is in de loop der jaren wel gezakt, maar toen was hij licht en helder.
Mijn eerste wedstrijd was Nederland-Hongarije. 0-3. Tv-commentaar heb ik altijd het prettigst gevonden. Als je klaar was, was je ook klaar. Dat schrijven deed ik op zich wel graag, maar daar zat altijd nog een staartje aan. Dan had je weer zo’n België-Nederland gezien, een vlakke wedstrijd, en dan moest je terug naar Nederland om achter de schrijfmachine een verslag te maken. En dat voor zo’n rotwedstrijd. Daar moest ik dan een hele pagina van maken. Daar zag ik weleens tegen op. Met de tv was het: wedstrijd afgelopen, klaar.

De belangrijkste sportwedstrijd die ik ooit heb verslagen, is de finale van de WK in 1974 geweest. De ploeg die het verdiend had, Nederland, werd geen wereldkampioen. En na afloop hebben de spelers niet onder ogen willen zien dat het misgelopen was. Ze hebben zich van dat hele kampioenschap afgekeerd. Een paar dagen voor de finale had je die rel in het zwembad in Hiltrupp. Nederlandse spelers waren met schaars geklede Duitse dames aangetroffen in een zwembad. Maar sommige spelers ontkenden dat gewoon. Mijnheer Van Hanegem, onder anderen. Dat beweert hij nu nog. ‘Nee, ik heb op mijn kamer gezeten, ik wist van niks.’ Leugenaar. Natuurlijk wisten ze het. Bild Zeitung schijnt die affaire veroorzaakt te hebben. Ja, dat was wel een Duits rotstreekje, hoor. De spelers hebben zich laten ophitsen door de boze vrouwen die uit Nederland opbelden. Cruijff in de eerste plaats. Dat is eigenlijk onbegrijpelijk. Cruijff heeft een schandalig slechte finale gespeeld. Alleen in de eerste vijf minuten heeft hij zich voor de goal van de Duitsers laten zien. Hij liep alleen nog maar op het middenveld, maakte permanent ruzie met de scheidsrechter. Idioot, idioot. Tactisch was het onzin om zo achteruit te gaan spelen. Tjongejongejonge. Ik kan me daar nog steeds druk om maken. En dan, in de wedstrijd tegen Brazilië, die schitterende volley van Cruijff, die fantastische goal. Had hij in de finale maar zo gespeeld. Dan hadden we zeker gewonnen.

Tegenwoordig is er elke dag voetbal op televisie. Het is te veel, eigenlijk. Dat was in mijn tijd niet. Je had woensdag vaak een wedstrijd, Europacup of zo, en zondag. En verder niks. Nu zijn er ook veel achtergrondprogramma’s, waarin commentatoren optreden. Het kunnen niet allemaal topexperts zijn, natuurlijk. Sommigen zijn goed, anderen zijn redelijk en er zijn er een hoop die onder de maat zijn. De een profileert zich wat nadrukkelijker dan de ander. Wie ik echt goed vind, is die jongen uit IJmuiden, hoe heet-ie, Frank Snoeks. Die heeft gevoel voor humor, hij zit erbovenop, hij heeft een hele rijke woordenschat, hij bereidt zich uitstekend voor, hij leeft heel goed mee. Reitsma vind ik ook goed, maar die heeft een andere stijl dan de mijne was. Hij is droger, zakelijker. Dat heb ik weleens tegen hem gezegd. Ik zeg tegen hem: je moet het levendig houden, als het even kan.

Ik werk niet meer. Ik lees veel kranten en tijdschriften, ik kijk televisie. Tijdens mijn carrière heb ik nooit gedacht: later, als ik niet meer werk, heb ik eindelijk de tijd om dit of dat te doen. Ik heb die carrière in een roes, in een droom beleefd. Ik heb altijd het stomme idee gehad: het houdt nooit op. Maar een kind kan nagaan dat het wel ooit ophoudt. Ik ben er altijd vanuit gegaan: dit is zo, en dit blijft zo. Ik vind het wel gek dat ik zo naïef ben geweest, achteraf. Het is ook vreselijk snel gegaan, in mijn verbeelding. Terwijl ik er toch jaren ingezeten heb. De seizoenen gaan geruisloos in elkaar over. Als je er middenin zit, gaat het geruisloos. Het gaat nu op een lager pitje allemaal, en dat vind ik jammer.



17 November 2009

Zwemmersgezicht

Vlak voordat je (ik, hij) het zwembad in dook, chloorlucht, vader aan de kant, bezig met je los te maken van alles waaraan je je gehecht voelde, keek je naar je tegenstanders en die hadden een bepaalde blik, alsof het hen niets interesseerde. Daarom won ik altijd met mijn schrale lichaam. Wedstrijdzwemmen is geen spierkwestie maar een watergevoelskwestie. Tot zover het water.

Gisternacht zei ik tegen Noor: ik voel mij meer thuis in dennen- dan in loofbossen. Loofbossen zijn prachtig voor de mensen in de stad die van de herfst houden, ze zien bruine en gele bladeren. Maar in een dennenbos (sparrenbos) voel ik mij thuis omdat ik daar een hut kan bouwen die ook in de winter standhoudt. Dit veilige gevoel dat mij overkomt wanneer ik in een dennenbos wandel zal ik nooit meer kwijtraken.

In een loofbos kun je geen hutten bouwen, want in oktober vallen alle bladeren eraf. De schepping is juist zo mooi omdat er in de winter geen herfstbladeren van de dennenbomen vallen, zodat zij die zich willen beschermen tegen de rest van de mensheid hun boomhutten kunnen blijven bouwen. En juist in de herfst en de winter blijkt dat een enorme troost te zijn.