<?xml version="1.0" encoding="iso-8859-1"?>
<rss version="2.0">
	
	<channel>
		<title>ellingmann</title>
		<link>http://www.ellingmann.com/index.php</link>
		<description></description>
		<language>nl</language>
		<managingEditor>admin@hornstra.com</managingEditor>
                <copyright>Copyright 2013</copyright>
		<generator>Pivot Pivot - 1.40.4: 'Dreadwind'</generator>
		<pubDate>Mon, 20 May 2013 13:28:21 +0200</pubDate>
		<ttl>60</ttl>
		
		
		
		
		<item>
			<title>Maigret en de zaak van de vermiste broertjes</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=511</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=511#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ In 1957 publiceerde Georges Simenon <i>Maigret s'amuse</i>, onder de titel <i>Maigret Incognito</i> in het Nederlands vertaald door Halbo C. Kool â€“ die in mei â€™68 in staat van ontbinding werd aangetroffen op een doodlopend landweggetje, tussen twee plassen in een weidegebied, en zelfmoord bleek te hebben gepleegd door een overdosis slaapmiddelen in te nemen. <br />
In Simenons <i>policier</i> wordt de wereldberoemde commissaris (sinds 1931 waren er al tientallen Maigrets verschenen) door zijn artsen aangeraden het wat kalmer aan te doen en met vakantie te gaan. Maigret volgt de raad op â€“ althans, hij neemt vrijaf en zegt dat hij op vakantie gaat naar Les Sables d'Olonne, een toeristenplaatsje in de VendÃ©e, aan de Atlantische kust. Maar in werkelijkheid blijft Maigret in Parijs, waar hij op terrassen koffie drinkt, de kranten doorneemt en wandelingen maakt met zijn vrouw. Op zekere dag wordt zijn aandacht getrokken door een krantenbericht over een moordzaak op de Boulevard Hausmann, een kwestie die met mysteries omgeven blijkt. In een kast in een artsenwoning is het dode lichaam van een naakte vrouw aangetroffen. De raadselachtigheid neemt toe naarmate er meer aanwijzingen en feiten bekend worden. Gedreven door nieuwsgierigheid en met groeiende ergernis stelt Maigret vast hoe inspecteur Janvier, zijn medewerker en tijdelijk plaatsvervanger, de zaak vanaf het begin verkeerd aanpakt: hij jaagt de pers tegen zich in het harnas en richt zich niet op de details die van belang zijn. <br />
Dagelijks leest Maigret de verslagen in de ochtend-, middag- en avondedities van de kranten en tracht het mysterie te doorgronden. Geamuseerd beluistert hij de reacties van de mensen op straat en ontdekt hoe het publiek â€“ waar hij nu immers ook deel van uitmaakt â€“ een grote moordzaak ervaart. Elk nieuw detail wordt in de kranten breed uitgemeten, de verledens van mogelijke daders en het slachtoffer worden minutieus onder de loep genomen. <br />
Maigret stelt op zeker moment tot zijn verbazing vast dat de informatie die het publiek tot zich kan nemen, nauwelijks verschilt van de gegevens die de politie ter beschikking staan. Om de zaak te doorgronden maakt hij gebruik van zijn beproefde methode-Maigret: het psychologisch analyseren van de betrokkenen en slechts de ter zake dienende feiten in dienst stellen van die analyse. Ten langen leste besluit hij te doen wat hij eigenlijk zou moeten laten: door het sturen van anonieme briefjes â€“ iets wat honderden betrokken Parijzenaars bij elke grote zaak doen â€“ probeert hij zijn inspecteur op het juiste spoor te zetten. <br />
â€˜Waarom, voor de drommel, was zij naakt ?â€™<br />
â€˜In uw plaats zou ik naar Concarneau gaan.â€™<br />
Gestuurd door Maigrets briefjes weet Janvier zijn eerste grote zaak ten slotte op te lossen. Dat hij er daarbij wel degelijk van op de hoogte was dat Maigret hem de briefjes stuurde, blijkt uit de laatste twee woorden van het boek: â€˜Merci chef.â€™<br />
In de zaak van de twee vermiste broertjes Ruben en Julian uit Zeist zien we een ontwikkeling zoals die in de roman van Simenon beschreven staat. Publiek en journaille beschikken over vrijwel alle beschikbare gegevens â€“ locaties, bewegingen, tijden, autoâ€™s, kleding, attributen, betrokkenen. Door middel van berichten op Twitteraccounts (zie de mentions op bijvoorbeeld @PolitieUtrecht en @JulianRubenNL), op Facebookpaginaâ€™s en in de reactiepanelen van websites leeft het massaal rechercherende publiek zich naar believen uit.<br />
<br />
Maar de enige die in dit Nederlandse verhaal ontbreekt, is commissaris Maigret. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">511@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>default</category>
			<pubDate>Mon, 20 May 2013 13:22:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Pech</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=510</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=510#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Allerlei toevalligheden maken dat ik de grootst denkbare pech heb. Maar ik doe het allemaal zelf. Een ander had vermoedelijk allang in de Mesdagkliniek gezeten of zich van het Okurahotel gestort &mdash; en ik zit nog steeds in de Mesdagstraat. Er gaat voor zover ik weet in dit leven iets gruwelijk mis als je voor je hart kiest, voor je intuÃ¯tie, en niet voor je verstand. De gruwelijkheid bestaat er uiteraard in dat er maar Ã©Ã©n leven is.  <br />
<br />
De Nederlaag<br />
<br />
geketend aan het circuit der seizoenen<br />
verlies ik in buitensporigheid mijn weg<br />
tussen vuur en ijs daar waar gedijen<br />
de olijven de limoenen en waar de poliep<br />
van het uitspansel overstraalt de bochten<br />
en de krochten en het grauw geweld der golven<br />
en ook mijn gedachten die donkere bouwsels<br />
die kalkkoude ruÃ¯nen op de kale bergen<br />
boven het tumult van eeuwig spuwende inspanning<br />
de waterval die zelfs de krachtige zalm verjaagt<br />
<br />
daar betrad ik het ijzerrijk schraal en beendor<br />
koorts brandde in de schoot der heuvels<br />
uit een laatste zonnestraal viel een vogel dood<br />
op het vervallen drooghuis waarin ik mij verschool<br />
tussen uilen vleermuizen en blinde vlekken<br />
razernij spoot als vitriool tegen de gewapende<br />
beelden die in de diepe duisternis bewogen<br />
en die terugspogen onblusbaar en meedogenloos<br />
de marmersnijder en de schedelmeter ontwaarde ik<br />
in de eeuwigheid zou ik uittreden en deel zijn	<br />
van doodseskaders die de bedevaart van bedelaars<br />
en hoopvolle filosofen verstoren en uiteenrijten<br />
zodat een ieder dwaalt in eeuwig onbehagen<br />
zonder dageraad zonder lenteboden zonder liefde<br />
zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">510@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>default</category>
			<pubDate>Wed, 27 Oct 2010 04:57:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>I'm running out of patience</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=507</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=507#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <object width="480" height="385"><param name="movie" value="http://www.youtube.com/v/tACIQdPyokw&hl=en_US&fs=1&"></param><param name="allowFullScreen" value="true"></param><param name="allowscriptaccess" value="always"></param><embed src="http://www.youtube.com/v/tACIQdPyokw&hl=en_US&fs=1&" type="application/x-shockwave-flash" allowscriptaccess="always" allowfullscreen="true" width="480" height="385"></embed></object> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">507@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>default</category>
			<pubDate>Sat, 22 May 2010 06:29:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Lucide</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=506</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=506#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Lucide, dat woord dan, komt van lux = licht. Als God het licht heeft geschapen, dan heeft Hij ook mijn lucide leven geschapen. In het lucide leven zie je meer dan op woensdagmiddag. Ik zeg: je voelt je dan verwant met mensen die ook zo denken. Ik zou me liever verwant voelen met een hond, bijvoorbeeld. Maar dat is vluchtgedrag, dat is angst. Wie zich verwant voelt met een hond of een kat, is bang om de mensen onder ogen te zien.<br />
Je verbaast je nergens meer over. Ik heb het koud. Ik zou je veel meer willen zeggen, maar ik durf niet meer. Of ja, ik durf wel, het komt nog. Ik heb het heel koud. Ik zie van alles, maar waarschijnlijk is het er niet.<br />
<br />
Ik begin net zo vrolijk te worden als Houellebecq, als Nietzsche. De afgelopen anderhalf jaar heb ik weer eens een potje schoonheid en ellende meegemaakt, zo enorm, dat ik me erover verbaas dat al die anderen dat niet meemaken. Ik ben ervan overtuigd dat ik een gezegend mens ben. Maar de God die me heeft gezegend is wel een cynische God, ik moet elke dag tegen Hem vechten. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">506@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>default</category>
			<pubDate>Wed, 12 May 2010 04:39:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Si tu disais</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=505</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=505#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <object width="480" height="385"><param name="movie" value="http://www.youtube.com/v/_hiK1kAE5ho&hl=en_US&fs=1&"></param><param name="allowFullScreen" value="true"></param><param name="allowscriptaccess" value="always"></param><embed src="http://www.youtube.com/v/_hiK1kAE5ho&hl=en_US&fs=1&" type="application/x-shockwave-flash" allowscriptaccess="always" allowfullscreen="true" width="480" height="385"></embed></object> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">505@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>default</category>
			<pubDate>Thu, 06 May 2010 05:47:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Noor</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=427</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=427#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Ze beweegt haar linkerarm naar haar borst, en haar rechterarm legt ze op haar buik, het gaat heel langzaam, alsof ze bang is iets aan te raken dat ze niet wil, ze is een tovenares &mdash; allemaal in haar slaap. Daarna zegt ze iets. Ik lig naast haar, in ons bedje.  <br />
<br />
Ze is het mooiste wezen dat God ooit heeft geschapen. Ik heb het gezien. Je mag dat zeggen, als je heel veel mensen hebt gezien. Ze is het mooiste dat me ooit is overkomen, qua zuiverheid. Ik kan daar veel uitgebreider over zijn, en dat ga ik ook doen, maar nu nog niet. We gaan van het leven genieten, zij en ik. Dat doen we al vanaf de eerste seconde.<br />
<br />
Je zult misschien denken: hij doet alsof hij het voor het eerst meemaakt. Hij weet toch wel beter, hij heeft leeftijd. Hij is geen negentien meer. Dat is ook zo. Maar ik zeg je: ik ben thuisgekomen, in de liefde die ik wil en geven wil, het is totaal. Elk uur zonder haar is een verloren uur. Misschien moet je leeftijd hebben om dat te begrijpen. Maar zij heeft dat niet, en toch begrijpt zij het ook. <br />
<br />
Het past, het is rustig, het is gelijkwaardig, het is overwogen, het is een wonder, het is missen als ze er niet is, lichamelijk missen, dat ik er ziek van word. Ik heb dat nog nooit eerder gehad. Mijn hoofd wordt nat, en ik word misselijk als ze er niet is. Ik wil altijd bij haar zijn. George vindt deze zinnen pathetic. Dat ben ik met hem eens. Maar tegelijk: het overkomt me. Ik stond vanmiddag te kotsen in de douche, ik viel bijna flauw, maar zodra ik weer bij haar was, voelde ik me rustig en was ik waar ik moest zijn. <br />
<br />
Ik wil alleen met haar, en ik wil alles met haar. <br />
<br />
Ik ken mensen die dit een zelfmoordactie noemen. Dat zal. Dan is het mijn laatste zelfmoordactie. Ik ken dit niet, dit gevoel, ik doe alles op intuÃ¯tie. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">427@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Thu, 11 Dec 2008 05:58:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Daken van gras, daken van stro</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=190</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=190#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Ik word wakker. Het besluit is genomen, voor mij. Dat krijg je, als je zelf geen besluit neemt.<br />
<br />
Er klotst water om me heen. Ik kijk links, en rechts, en achter me, en overal is water. Ik lig in een boot, vastgebonden. Ze moeten me hebben, denk ik. Dat is ook zo. Zelfs mijn eigen vrouw weet er niets van. Dat heb ik goed gedaan.<br />
<br />
We gaan naar Engeland, zegt iemand met een Amerikaans accent. Mooi zo. Waarom moet je mij hebben? 'You know the guy.' Waarom moet het zo stiekem? 'Because they know you.' De boot waarin ik lig, is een mooie boot. Met smalle latjes. Ik heb uitzicht over de zee, naar links, naar rechts, naar achter, en zelf ben ik onzichtbaar. Ik zie Amsterdam achter me verdwijnen, ik begin te lachen, en te juichen. Ik word niet ontvoerd, maar gered. <br />
We naderen de Britse haven, ze zijn aardig voor me. Geblinddoekt word ik naar het vliegveld gebracht. Ik maak kennis met de anderen die in hetzelfde vliegtuig worden vervoerd. Een Hercules C-130. 'Het is oorlog,' zegt een van de Amerikanen. 'En jij bent onze bondgenoot.' Ik mag weer kijken en ik vind dat hij gelijk heeft.<br />
<br />
We vliegen over Europa, over IsraÃ«l, over JordaniÃ«, en over Irak (inmiddels veilig gebied). Dan naar het zuiden en via de Golf naar Afghanistan. Ik weet precies waar we landen. We moeten uitstappen. Alles doe je Ã©Ã©n keer. Er staat een helikopter klaar, want we moeten naar het oosten. Of ik moe ben, of slaap heb? Nee. De anderen blijven in het westen, ik ga mee. Alleen de dapperste jongens gaan mee. En die zijn ook bang, want ze lezen Harry Potter-boekjes. Ik kijk naar beneden, vanuit de helikopter, en zie het Paradijs, zo mooi is het landschap. Osama bin Laden heeft gelijk dat hij dit landschap heeft uitgezocht. We vliegen en vliegen, en na uren vliegen daalt de helikopter en sta ik op de grond. Er staat een auto klaar. 'Dit zijn je lijfwachten.' Waar heb ik het aan verdiend, vraag ik me af. We rijden door het dal, het is het einde van de middag, de zon staat laag. Ten slotte komen we in een dorp, waar ze me mijn slaapplaats wijzen, in een versterkt huis, zo zou ik het omschrijven. Het is opgebouwd uit grote blokken steen, je ziet dat in CataloniÃ«. Er is een muur omheen gebouwd, twee ingangen, met lijfwachten. Dag man. Ik word bejegend als een generaal, en zo gedraag ik me inmiddels ook. Ik zit in mijn kamer, er is niet zoveel licht, Ã©Ã©n venster, er komt iemand met eten en een karaf water. Slapen. Slapen in je eigen droom.<br />
Zo'n stoere man maakt me wakker. 'We're leaving.' Ik ga mee. Ik was me, in een hok. In tegenstelling tot mijn begeleiders zie ik er meteen uit zoals de anderen eruit zien, de mensen die hier vandaan komen. Ik draag slippers en een gewaad, zo zouden we dat hier noemen, een gewaad. Niet wit, niet zwart, maar zandkleurig. Zo'n gewaad. Iemand heeft me dat gegeven, ik weet niet meer wie. <br />
<br />
We nemen een auto en rijden drie kwartier door de bergen, door het dal. Dan zie ik in de verte een fort opdoemen, een kasteel, met kantelen. Belachelijk, een kasteel met kantelen in Afghanistan. En toch is het zo. 'He's there, you know him.' We stoppen bij het fort. De mannen die me hebben begeleid, stappen uit en voeren me naar de ingang van het fort. Ik treed binnen. Ze sluiten de poort achter me.<br />
<br />
Ik kijk en zie een jongen lopen. Het fort is vierkant, dertig bij dertig meter, de muren zijn opgetrokken uit leem, uit klei. Minstens drie meter hoog die muren, je kunt er niet uit. De jongen heeft een wit kleed aan. Het is Samir Azzouz. 'Kom eens hier,' zeg ik, in het Nederlands. 'Er is een fout gemaakt, iemand heeft een vertaalfout gemaakt.' Hij heft zijn hoofd op. 'Wat fout!' roept hij. 'Die maagden,' zeg ik. <br />
Verbaasd en vijandig kijkt hij me aan. 'Wat weet jij van maagden!' roept hij. <br />
Ik zeg: 'Er is een Nederlandse professor, en die zegt dat die tweeÃ«nzeventig maagden geen maagden zijn, maar druiven!' <br />
<br />
'Druiven.'<br />
<br />
Er wordt een touwladder over de muur gegooid. Ik klim erin. Ik kijk naar het betoverende landschap. In de verte zie ik huizen staan. Sommige zijn voorzien van plaggen, van gras. Andere van riet. Daken van gras, daken van stro. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">190@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Sat, 21 Jan 2006 05:55:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Charlotte en de kruidenazijn</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=140</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=140#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Natuurlijk heb ik dat ook,' zegt Hiram zalvend en staat op. 'Loop maar eens mee.'<br />
We lopen naar een schuurtje aan de achterkant van het huis. Op een vloertje van stoeptegels staat een matzwarte motor. Hiram knielt voor de machine neer en zegt mij hetzelfde te doen. Hiram hoeft niets meer te zeggen, ik zie het al. De naam van zijn vrouw staat in sierlijke letters op elk zichtbaar onderdeel van de motor geschilderd. <i>Charlotte, Charlotte, Charlotte</i>.<br />
Zwijgend schroeft Hiram een paar onderdelen van het motorblok af. 'Die is ze vergeten,' zegt hij en toont me de ongesigneerde motoronderdelen. Hij schroeft de machine weer in elkaar en start de motor. Buiten start ik de mijne en we rijden weg.<br />
<br />
Onderweg treffen we collega's en rijden met motoren over de snelweg. Ik moet het tempo bepalen en rijd derhalve voorop. Om te zien hoe hard ik rijd, heb ik een sigaret tussen mijn vingers. Aan de hand van het tempo waarin die opbrandt, kan ik de snelheid van mijn motor bepalen. Honderdtwintig km/u is de afgesproken kruissnelheid. Maar de sigaret brandt te langzaam weg, zie ik na een poosje, dus ik ga harder rijden.<br />
Ik hoef niet in mijn spiegels te kijken, men volgt mij.<br />
In de verte staan borden: er is een wegomlegging. Ik neem aan dat de anderen het opgemerkt hebben, al maak ik mij daar nauwelijks druk om. Overal voor mij doemen borden op. We worden van de snelweg af geleid en het verkeer zal nu een stukje over provinciale wegen verder moeten rijden.<br />
Als ik aan het eind van de afrit van de snelweg aangekomen ben, zie ik niet meer waar ik heen moet. Anderen ook niet, dacht ik. Het is een chaos op deze splitsing. Sommigen voor mij gaan links, anderen rechts. Ik weet dat ik rechtdoor moet, al loopt daar geen weg. Ik rijd een grasveldje op en volg later een zandpad. In de verte zie ik een terrein liggen waar iets gebeurt.<br />
Om de anderen bekommer ik mij inmiddels niet meer; zij zullen hun eigen terrein, hun eigen weg wel gevonden hebben. Maar ik geloof dat ik zelfs dat niet meer dacht.<br />
Ik rijd stapvoets onder een welkomstbord door en bevind mij in een soort openluchtmuseum. Er lopen toeristen rond die houten gebouwen in lopen, ze hebben witte petjes op. Ik stal mijn motor onder een afdak: een vrolijke man met zomerkleren aan komt op mij af. Hij zal mij rondleiden. Hij neemt mij bij de arm als een trotse museumdirecteur, wat mij niet in het minst geneert. We bekijken samen de kraampjes die over het terrein verspreid staan. Op traditionele wijze wordt hier kruidenazijn gemaakt, legt hij uit. De flessen staan op de houten planken van de kraampjes. Ik ruik het hout, ik ruik het gras waarover wij lopen, ik ruik de zuivere benzinegeur die van mijn afgekoelde motor walmt.<br />
Blote meisjes en vrouwen zijn bezig flessen te vullen met takjes tijm en andere welriekende kruiden. Zij lopen rond alsof zij kleren droegen: ze bukken zich en strekken zich en huppelen rond met de takjes in hun hand.<br />
We mogen salade proeven die is aangemaakt met de verse kruidenazijn. En ook de blote vrouwen en meisjes ruiken heerlijk: ik druk kussen op hun voorhoofd, ik schik hun haren. Natuurlijk: ik herinner mij de andere motorrijders, ik weet dat zij de weg misschien voor altijd kwijt zijn.<br />
Maar uit dit paradijs hoef ik niet meer weg. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">140@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Tue, 27 Apr 2004 13:33:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Het dagenlang bewaken van de nacht</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=141</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=141#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Nu dan is het nieuwe jaar begonnen. De sneeuw zag ik vanmiddag, terwijl ik over de Van Baerlestraat wandelde en de ouderen vriendelijk toeknikte, wegsmelten onder een zonnetje dat mijn hoofd en hart verwarmde — en die waren al zo warm door de gebeurtenissen van de laatste dagen. <br />
Nu neem ik eerst een douche, want ook daar is het de afgelopen achtenveertig uren niet meer van gekomen. <br />
<br />
Het (oud-)Grieks kent geen woord voor 'kunst'. In plaats daarvan werd er gebruik gemaakt van het woord 'mimèsis', dat 'nabootsing' betekent. De beeldhouwers deden dat, de komedieschrijvers, de tragedieschrijvers (Euripides). De kunstwerken zijn nabootsingen van het werkelijke leven, kunst komt niet uit zichzelf voort — voor de oude Grieken was het niet anders, was er niets anders. <br />
Sindsdien is er veel veranderd. Wanneer ik mij tot het schrijven beperk, is de enige vorm van nabootsing hoogstens nog de autobiografie, en zelfs die komt meestal meer voort uit zichzelf dan uit het leven. Eigen levens worden op papier verfraaid met details die met de waarheid niets meer te maken hebben. (Paul Léautaud, de broertjes Goncourt, Marcel Proust ook, vind ik. Hans Warren is juist dol op autobiografische geschriften — brieven en vooral dagboeken — waarschijnlijk omdat dat het enige genre is waarin hijzelf enigszins succesvol is geweest. Als dichter en romanschrijver stelt hij evenveel voor als het ijshockeyteam van Zimbabwe.) <br />
Wat ik nu ga opschrijven — alles wat ik ooit opschrijf — is zonder de enige valse waarheid waar ik iets van weet (mijn leven) ondenkbaar, maar strikt genomen heeft het daar niets mee te maken, want de waarheid is dat ik nu achter de computer zit om deze zinnen op te schrijven, zoals Plato in zijn grot naar de schaduwen zit te kijken. <br />
<br />
De woensdagavond waar ik het over wil hebben, begon vredig en ik wist niet beter of ik zou alleen blijven en bijtijds in bed liggen, zou van kunst genieten door te lezen of een interessante documentaire op de televisie te bekijken. Niks liters bier, niks lethargie, niks kwellend verlangen naar nooit meer te bereiken tijden en landschappen, naar stemmingen en uitzichten, naar de smaak van mijn eerste sigaretten, naar het jongetje dat ik ooit was en voor altijd had willen blijven. <br />
<br />
Wat een knap jongetje is dat geweest dat mij zo ongemerkt en sluw verlaten heeft.<br />
<br />
Ik had mijn zelf bereide maaltijd met smaak gegeten en voelde mij heilig. Ik dronk thee en keek naar ijshockey. Ik denk dat ik zelfs een kiwi verorberd heb.<br />
Er werd aangebeld, maar ik was onaanraakbaar en deed open: Eric, de sukkel. Een kopje koffie. Met zijn betrouwbare hondenogen en zijn lange haren en verhalen, zo zat hij onder de lamp die laag boven mijn tafel hangt. Ik haal twee halve liters uit de koelkast. Nog even ergens heen, poneert hij. Ik strijk met de hand over mijn hart en zeg: 'Ach! Voor deze keer dan, jongmensch.' Met zijn Renault 5 op gas naar Gruter. Bier drinken. Enny met haar pseudo-ondoorgrondelijke ogen en haar minder ondoorgrondelijke en malse Malle Babbe-kont dribbelt rond met een dienblad vol blondschuimende glazen, ik praat met mijn zojuist ontmoete aller-, allerbeste vrienden die ik even later met het grootste gemak voor altijd vaarwel wens want de geest vaart in mij en ik moet verder. Lopen naar Odeon, want in Odeon is het veilig, men kan er met een gerust hart de nacht doorbrengen, ik raad het iedereen aan die het horen wil. <br />
Twee bier, twee bier, twee bier, twee bier. Daar danst een meisje met een leren broek. Keep your eyes on the road, your hands upon the wheel. Ik trek haar met mijn ogen naar mij toe. Babette heet ze. Nou, nou. Even later: nog een meisje erbij, en Eric vindt haar leuk. Goed zo. Nog meer drinken, een gesprek voeren zoals het hoort en dan de straat op. Het is wit buiten, nietwaar, de sneeuw. Erics meisje is dronken. Ze wil mij telkens op de grond gooien, in de zachte sneeuw. We lopen naar de Nieuwendijk waar het dronken meisje woont, en, zo blijkt even later, ook de vriend van het dronken meisje, die, gekleed in een groenig sportbroekje, wakker is geworden en ons werkelijk allervriendelijkst vraagt of wij een andere keer willen terugkomen, dat hij mij kent zegt hij ook. Heel goed, wij gaan. Met zijn drieën: Babette, Eric en ik, nemen wij een taxi naar de Pijp, daar woont ze.<br />
Een woninkje dat mij doet denken aan een vakantiehuisje op een Waddeneiland, door het rieten meubilair misschien, door de geest die er rondwaart ook. Maar het gesprek stokt na enige tijd. Ik besef dat ik volgens de twee anderen moeilijk begin te doen door met een door alcohol ingegeven filosofische melancholie te zeggen dat ik maar weinig kan bedenken dat zin heeft. Telkens kondig ik aan dat ik een verhaal zal vertellen, maar ik kom er niet toe. Ik neem de zin ervan niet meer waar. Het verhaal dat ik wilde gaan vertellen, past niet tussen deze mensen. Laat ze toch tevreden zijn met de aankondiging, met het plan. <br />
Een onuitgevoerd plan is evengoed een plan.<br />
Zo denk ik erover, uit die denkwereld ben ik afkomstig. <br />
Maar wat wil je met mijn achtergrond, wat wil je als ik er zelfs van overtuigd ben dat dat in diepste wezen ieders achtergrond is.<br />
Eric gaat naar de slaapkamer, hij legt zich met zijn grote behaarde lichaam te ruste op Babette's bed. Zij pakt een eenpersoonsmatras uit diezelfde kamer, waar wij met zijn tweeën gekleed op gaan liggen. Ik stel een paar vragen en zij voelt zich weer vertrouwd. <br />
Om één uur 's middags komt Eric met dikke, starende ogen de slaapkamer uitzetten. Wij zeggen hem dat wij nog niet geslapen hebben; hij vertrekt. Een hand, weg. Wij gaan naar Babette's lege slaapkamer en slapen niet. Om zes uur, vertelt zij, komt er een vriendin langs met wie zij moet gaan aerobikken. Nou, nou. Doe dat maar niet. <br />
Het valt mij op dat zij haar zinnen uitspreekt op een merkwaardige manier. Ze articuleert scherp en verlangzaamt aan het eind van de zin, wat de indruk wekt dat alles wat ze zegt van groot belang is. <br />
Het vriendinnetje belt aan en gaat even later, nadat er wat heen en weer gediscussieerd is, morrend en alleen naar de gymnastiekles. Na een uur is ze terug. Babette haalt soep bij A.H. <br />
We eten en praten. Ik betrap mij erop dat ik de naam van de nieuwelinge telkens vergeet. Diane, Sylvia, Lidia, hoe-heet-ze.<br />
Om half twaalf kondigt het meisje aan dat ze weggaat. Ik geef haar een vijfje, dan kan ze nog twee halve liters betalen. Ze drinkt veel, zegt ze. Ze is er al voor behandeld. Ze lijdt aan depressies ook. Gaan jullie maar lekker samen douchen, zegt ze. Ik wou dat ik dat kon, voegt ze eraan toe.<br />
Maar wij gaan niet samen douchen: er zijn grenzen. Babette doucht zich en later was ik mij alleen in die onbekende badkamer met onbekende flesjes en spiegels. Van slapen komt niets, al zijn we nog zo moe. Ze heeft moeite om in slaap te komen en slikt daar medicijnen tegen. Ik heb ergens anders moeite mee, maar tegelijkertijd ook niet. Er heerst geen wroeging in mij (ik doe niets verkeerds), en dat verbaast mij niet eens. Dat komt omdat het Babette is, die mij nog niet lang genoeg kent om enige druk op mij uit te oefenen.<br />
De volgende ochtend — het is inmiddels vrijdag — moet zij naar haar school, maar ik mag nog blijven. Ik moet de sleutel onder de deurmat leggen als ik wegga. Nee, ik geef geen adres en telefoonnummer, we zien wel hoe het verder lopen zal. <br />
Maar ze begrijpt het niet, heb ik de indruk.<br />
Ik ben nu alleen in haar huis. Ik heb Brel opgezet en kijk uit haar raam naar de bewegingen van het werkende en wandelende volk onder de koude zon in de Daniël Stalpertstraat. Voir un ami pleurer. Ze heeft een paar Camels voor me achtergelaten. Ik ben geen indringer en voel mij volledig op mijn gemak. Ik kan doen wat ik wil, later zal ik niet achtervolgd worden. De foto van haar vader aan de muur frappeert mij. Ik schrijf een briefje voor haar: probeer je dit te herinneren zoals ik het mij herinneren zal.<br />
<br />
Een half uur na de laatste Camel vertrek ik.<br />
<br />
Bij een sigarenhandelaar onderweg koop ik twee Gauloises zonder en stap tegen half een Wildschut binnen, om soezend en alleen verder te genieten van deze lange nacht die nog niet ten einde is. 'Een overheerlijke kop koffie!' zegt de ober wanneer hij mij serveert, wat ik hem tot vier keer toe verzoek. 's Middags voor vijven mag dit etablissement de naam 'koffiehuis' voeren, zo vind ik. Ik lees de Volkskrant waarin een bericht staat over Martin Ros die de Engelse vertaling van zijn boek <i>Vuurnacht</i> in de Verenigde Staten gepresenteerd had. Spike Lee, de beroemde regisseur, had het boek al opgevraagd, wellicht wil hij het verfilmen. Naast mij zit een nerveuze Belgische blondine, een mannequin (een Vlaams woord: manneke) zonder twijfel. Mannen die alleen binnenkomen, schuiven op de kruk naast de hare en een enkeling waagt het zelfs een gesprek met haar te beginnen.<br />
Tot drie keer toe vragen de heren of zij uit België komt, tot drie keer toe antwoordt zij beleefd. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">141@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Mon, 19 Apr 2004 03:55:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>NamibiÃ«</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=142</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=142#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Bij de balie van het luxueuze Safari Court Hotel in Windhoek, de hoofdstad van NamibiÃ«, wordt mijn aandacht meteen getrokken door een ansichtkaart in het kaartenrek. Er staat een Himba-meisje op afgebeeld dat er betoverend uitziet. <img src="http://www.ellingmann.com/images/himba.jpg" style="margin-right:10px;margin-bottom:5px;" border="0" title="Himba" alt="Himba" align="left" class="pivot-image" /> 'Himba-pride', luidt de tekst eronder, en inderdaad: een van de charmes van het meisje is de trotse blik in haar ogen. Ik koop een flink aantal kaarten en hoop dat we enige dagen later, wanneer we in het noordwesten van NamibiÃ« zullen komen, met eigen ogen een Himba-stam kunnen aanschouwen, maar de kans daarop lijkt niet al te groot. De Himba, zo had ik gelezen, zijn een nomadenvolk dat verder trekt wanneer het gebied waar men zich heeft gevestigd niet meer voldoende voedsel biedt voor de koeien en geiten die men houdt. Er zijn maar zo'n 6000 Himba, en Kaokoland, zoals de onvruchtbare savanne in het noordwesten van NamibiÃ« heet, is honderden vierkante kilometers groot. <br />
Ik laat de kaart zien aan de receptionist van het hotel. Hij lacht en kijkt me aan of hij zeggen wil: 'Wanneer jij die in het echt te zien krijgt, eet ik mijn vlinderdas op.'<br />
<br />
WINDHOEK<br />
In de vroege middag waren we geland in Windhoek, het vertrekpunt voor een tocht van negen dagen door het weinig door toeristen bezochte NamibiÃ«, in het zuidwesten van Afrika. In de hal van het vliegveld van Windhoek wordt onze acht man tellende groep verwelkomd door twee vriendelijke zwarte heren in pak die ons met busjes naar de stad zullen brengen. Het is begin juni, dat wil zeggen winter. Bij het inladen van de bagage op de parkeerplaats is meteen duidelijk wat dat betekent. De hemel is azuurblauw, de lucht voelt kurkdroog aan en de temperatuur bedraagt zoï¿½n 30 graden celcius. <br />
Het landschap tussen het vliegveld en de stad verraadt dat het hier enige tijd niet heeft geregend. Hier en daar staat een boerderijtje, er graast wat vee en de asfaltweg ('teerpad', in het Afrikaans) leidt langs een aantal rivieren, althans, daarvoor moeten de zandige paden doorgaan die zich links en rechts van de weg door het landschap slingeren. <br />
Windhoek zelf is een modern ogende stad. Met 120.000 inwoners is het veruit de grootste plaats van het land. De boulevards zijn breed en de meeste huizen tellen slechts Ã©Ã©n verdieping. In een land van deze omvang is het onnodig ruimte te besparen door in de hoogte te bouwen. Maar echt aantrekkelijk ziet de stad er niet uit. Windhoek heeft iets weg van Amstelveen: Ã©Ã©n uitgestrekte buitenwijk met veel bedrijfsgebouwen en hier en daar wat winkels en horecagelegenheden, maar geen echt centrum. <br />
Aan het eind van de middag halen we de twee jeeps op waarmee we het land zullen doorkruisen. De verhuurder, Frank, neemt ons mee naar een droge rivierbedding, waar we even kunnen oefenen in het rijden met vierwielaandrijving door mul zand. Het gaat prima. Frank vertelt dat de wegen in NamibiÃ« uitstekend zijn, maar er is bij de Sossusvlei, een oase die wij gaan bezoeken, een traject van zes kilometer waar het onmogelijk is te rijden zonder vierwielaandrijving. <br />
's Avonds eten we op advies van Frank in Joe's Biergarten, gelegen aan een van de door neonreclames verlichte boulevards van de stad. Hijzelf zit er ook. Hier blijkt uit alles dat NamibiÃ« een Duitse kolonie is geweest. Aan de muur zijn de ingelijste, vergeelde prenten te zien van Duitse families die zich hier aan het eind van de negentiende eeuw vestigden en men tapt er, naast de 'Windhoek lager', Duits bier. Bij de bar hebben veelal Duitse zakenlieden hun visitekaartje opgeprikt, er hangen talloze geweien en zelfs complete kudu-koppen aan de muur, en de huisdrank is JÃ¤germeister, kortom: hier heerst een heuse Heimat-sfeer. <br />
Achter het cafÃ© is buiten een biertuin ingericht. Aan lange houten tafels zitten voornamelijk Duitsers met grote pullen bier voor zich. Midden in de tuin brandt een kampvuurtje. Het vlees wordt bereid op een grill in een open keuken vanwaar zich een heerlijke geur door de biergarten verspreidt. Op de menukaart staan voornamelijk vleesgerechten, waaronder vlees van de kudu en de struisvogel. De robuuste Zuid-Afrikaanse rode wijn vormt de perfecte begeleiding. <br />
Ik trek mijn groene loden jagersjas aan. Het begint fris te worden. Windhoek ligt op 1650 m hoogte en het is hier tenslotte winter.<br />
<br />
SOSSUSVLEI &mdash; MARS OP AARDE <br />
Zo fris als het 's avonds was, zo heet is het de volgende ochtend. Al om acht uur zijn we uit Windhoek vertrokken om bijtijds ons eerste reisdoel te bereiken: de Sossusvlei, een oase te midden van de hoogste zandduinen ter wereld.<br />
In hoog tempo razen we met onze jeeps door de Namibische savanne. De uitgestrektheid van het land is indrukwekkend. Geen mensen, geen tegenliggers, geen dieren, alleen struiken, bosschages, bergen in de verte en overal zand, zand, stenen, gruis en zand. Maar juist wanneer ik meen aan het landschap te zijn gewend, zie ik in de verte dat een grote bavianenfamilie zich bij het naderen van de jeeps uit de voeten maakt. Verbaasd en schijnbaar geÃ¯rriteerd &mdash; wat nou hier voorbijscheuren met jeeps! &mdash; kijken ze ons na. <br />
Ruud Troost, directeur van African Holidays en organisator van deze reis, vertelt dat de zo dor ogende Namibische bodem rijk is aan mineralen. Maar doordat ze moeilijk te localiseren zijn, kunnen ze nauwelijks worden ontgonnen. Het zuidelijk deel van de Namib-woestijn is voor het publiek gesloten: hier ligt een grote voorraad diamant verborgen.<br />
We passeren nog een drietal dorpen en na zo'n 200 km arriveren we bij de lodge waar we zullen overnachten. Er is nog tijd voldoende om de zandduinen van de Sossusvlei, die hier 70 km vandaan liggen, te bezoeken. Tot zes kilometer voor de eigenlijke oase gaat alles prima. Het landschap is uniek: overal om ons heen verheffen zich steeds meer rode zandduinen van tientallen meters hoog. <br />
We stappen uit en maken foto's. Het is doodstil, de hitte is verzengend. Midden op een uitgedroogde vlakte staan een paar schijnbaar dode bomen. Geen dieren. Langs de kammen van de duinen blaast de wind stofwolken op. Bij veel wind 'wandelen' de duinen en is het landschap na enige tijd onherkenbaar veranderd.<br />
Nu volgt het traject van zes kilometer waar we in Windhoek voor geoefend hebben. Aanvankelijk lijkt het goed te gaan. De vierwielaandrijving wordt ingeschakeld en Ruud en Jaap, de chauffeurs, houden het tempo er flink in. De wagens golven heen en weer over het mulle zand. Maar de achterste jeep kiest een verkeerd spoor &mdash; een korte aarzeling en plotseling staat hij stil.<br />
Niets aan de hand. We hebben immers nog een jeep, en die kan de vastgeraakte wagen uit het zand slepen. Maar ook de tweede auto, die een tiental meters voor de eerste staat, blijkt vast te zitten. Nu wordt het link. Het is tegen vijven. Over een uur is het donker en we zijn zo'n 70 km van het kamp verwijderd. Ik kijk naar Jaap, besef ineens dat die een gsm bij zich heeft en ben gerustgesteld. Zwijgend gaan we aan het werk: sommigen verzamelen takken om onder de wielen te leggen, anderen verwijderen het zand rond de wielen, die zich tientallen centimeters hebben ingegraven. <br />
De voorste jeep is snel los. Met een sleepkabel en de nodige stuurmanskunst lukt het ook de achterste wagen los te trekken. Gehaast rijden we verder &mdash; over een half uur is de zon onder &mdash; en binnen vijf minuten bereiken we de Sossusvlei. We stappen uit. Midden tussen de zich in eindeloze rijen aaneenschakelende kale zandduinen strekt zich een groene oase uit die in de regentijd vol water staat. Maar nu is het er kurkdroog. Het contrast tussen de nog juist door de zon beschenen en al in de schaduw gelegen bergkammen is adembenemend. Alle roodtinten op de wereld lijken zich bij zonsondergang te hebben verzameld in de Sossusvlei. In de verte loopt een oryx, een grote gemsbok met lange rechte hoorns en zwart-witte kop, die zich weinig van ons aan lijkt te trekken. In alle rust kunnen we het fraai gekleurde dier fotograferen.<br />
Maar we moeten weg. De zon is bijna onder. Het wordt al merkbaar kouder en de eerste sterren pinkelen aan de hemel. <br />
Op het met olielampen verlichte terras van de lodge genieten we van een verrukkelijk bereid diner &mdash; lopend buffet met kip, worstjes en rundvlees naar believen, salade en verfrissende witte Zuid-Afrikaanse wijn. Onder het eten vertel ik Jaap dat ik even ongerust werd toen beide jeeps vastzaten, tot ik besefte dat hij een gsm had, en dus een heli had kunnen bellen. 'Alsof daar midden in de bush een gsm-mast staat!' antwoordt hij lachend. Tja. Later bewonderen we de kraakheldere hemel die is bezaaid met sterren, veel meer dan in de vervuilde Europese lucht te zien zijn.<br />
Tijdens het champagne-ontbijt de volgende ochtend raken we in gesprek met een Zuid-Afrikaan die een vliegtuig blijkt te hebben. Daarmee laat hij belangstellenden de Sossusvlei vanuit de lucht zien. Een van ons heeft een gulle bui en trakteert op een rondje vliegen. Een uur later zitten we in een Cessna die ons boven het landschap brengt dat ons gisteren op de grond al zo boeide. Het is of we boven Mars vliegen. De duinenrijen strekken zich uit tot aan de horizon, tot aan de zee, die zoï¿½n 100 km verderop ligt. <br />
Tijdens de rit van de startbaan naar de lodge zien we mannen die met de weg bezig zijn. De Zuid-Afrikaan vertelt dat het traject van de lodge naar de Sossusvlei &mdash; een van de belangrijkste toeristische attracties van NamibiÃ« &mdash; geasfalteerd wordt. 'Dit jaar verwachten we zoï¿½n 30.000 belangstellenden, maar de komende jaren zal dat snel oplopen,' vertelt hij. 'Het ligt in de bedoeling van de regering de ongereptheid van het land zoveel mogelijk intact te laten.' Asfaltwegen in de woestijn?<br />
<br />
MASSIVE ATTACK<br />
Na een lange rit van 400 km over dorre vlakten, grassteppes, savannes, door bosachtige gebieden, berglandschappen en dwars door de Namib-woestijn rijden we via Walvisbaai, een industriestadje aan de kust waar we een kolonie flamingo's fotograferen, naar Swakopmund. In dit merkwaardige, Duits getinte stadje aan de Atlantische kust van NamibiÃ« &mdash; vakwerkhuizen, Lutherse kerkjes, Duitse straatnamen &mdash; is het mistig en koud, een bijna onbegrijpelijk contrast met de droge hitte in de woestijn. <br />
In het hotel waar we logeren, verblijven voornamelijk oude Duitsers die er trots op lijken te zijn dat hun land ook ooit een kolonie bezat. De uitnodiging van de eigenaar in zijn restaurant te gaan dineren slaan wij vriendelijk maar beslist af &mdash; tussen de Duitsers eten kunnen we immers ook vlak bij huis.<br />
We kiezen een visrestaurant en genieten volop van verse vis. Na het eten gaan we naar het plaatselijke cafÃ©, waar tot mijn verbazing de nieuwe Massive Attack &mdash; Mezzanine &mdash; wordt gedraaid. De tent wordt bevolkt door zwarten en blanken. Achterin staan een paar jongens te darten, en rond de bar zit een gezelschap waarvan ik vermoed dat het de vaste klanten zijn. Ik raak in gesprek met Claudia, een Namibische van Duitse oorsprong, die zich zichtbaar ergert aan de zwarte meisjes in de bar. 'Voor je het weet nemen ze de macht over, en zijn wij alles kwijt!' klaagt ze. Nou, nou.<br />
Terug in het hotel zie ik ook hier bij de balie een ansichtkaart met een Himba-meisje erop. Nog een paar dagen.<br />
<br />
STINKENDE ROBBEN<br />
De mist en de kou zijn 's ochtends nog niet verdwenen. We verlaten het frisse Swakopmund en rijden naar het 100 km noordelijker gelegen Cape Cross. Hier huist op een strook strand van 3 km een kolonie van zoï¿½n 80.000 Zuid-Afrikaanse pelsrobben. Al van verre zijn de dieren te horen &mdash; en te ruiken. De stank van urine en uitwerpselen is bijna ondraaglijk. Maar zodra we de dieren in zicht krijgen, is de penetrante geur snel vergeten. Klagelijk gejank, gebrul, vechtende mannetjes, moeders die hun kinderrobjes voeden, dieren die onhandig richting zee trachten te kruipen, over soortgenoten heen duikelen, een beet meekrijgen, zonnen, klagen en slapen. In een museumpje vlak bij het strand is een absurde collectie aangespoelde voorwerpen te zien &mdash; van flessen (sommige met brief) tot patroonhulzen en harpoenen. Ook verkoopt men hier schoenen, tassen en riemen van zeerobbenleer.<br />
We gaan terug het Namibische binnenland in. We komen nu steeds noordelijker, wat betekent dat het nog warmer wordt. In de buurt van Khorixas, waar we de nacht hebben doorgebracht, brengen we 's ochtends een bezoek aan het Versteende Woud &mdash; een bergachtig gebied waar versteende boomstammen liggen van zo'n 260 miljoen jaar oud. De bomen liggen op de grond alsof ze de dag ervoor door een houthakker geveld zijn. Ze zijn zo goed geconserveerd dat zelfs de jaarringen duidelijk te zien zijn. Hier en daar groeit een welwitschia mirabilis, een zeldzame plant die wel 2000 jaar oud kan worden. Bij de ingang van het Versteende Woud staat een souvenirkraampje met onder meer poppen die, als ik het wel heb, Himba voorstellen. Meteen komt er een groep kinderen op ons af &mdash; ze willen allemaal op de foto, en geven mij hun adres waar ik de foto naartoe kan sturen.<br />
Even verderop bekijken we rotsgraveringen die 6000 jaar geleden zijn aangebracht door bosjesmannen. We zien afbeeldingen van onder meer giraffen, olifanten, springbokken, neushoorns en mensenhanden en -voeten. Justine, het meisje dat ons rondleidt, wil op de foto en geeft haar adres.<br />
Langzaam maar zeker wordt het landschap minder stoffig en groener. Bij een niet geheel opgedroogde rivier zien we een paar bavianen lopen. Ook staan er lemen hutjes die toebehoren aan Herero, net als de Himba een bevolkingsgroep die hier woont, met dit verschil dat de Herero niet nomadisch zijn en 'westelijker' zijn ingesteld: bij de hutten staan jeeps en autowrakken, de mannen dragen overhemden en broeken en de vrouwen felgekleurde jurken. We overnachten in het Sesfontein-fort, een kasteelachtig gebouw dat beschikt over een fraaie tuin met zwembad. Enigszins teleurgesteld stel ik tijdens het diner vast dat we geen Himba hebben gezien. 'We moeten geluk hebben,' zegt Ruud. 'En bovendien komen we morgen pas in Kaokoland, waar de meeste Himba wonen.'<br />
<br />
HIMBA<br />
We staan vroeg op, zo vroeg dat er in de lodge nog geen ontbijt wordt geserveerd. We krijgen broodjes en fruit mee. Na zo'n 100 km zijn we nog geen dorp van enige omvang tegengekomen. Even voor Opuwo, de enige 'stad' in dit gebied, zien we een flinke Herero-nederzetting: op een dorre, stoffige vlakte staat rond een kraal een tiental lemen hutjes. We stoppen. Ik loop de vlakte op en maak foto's van de hutten. Ik hoor opgewonden stemmen achter me en als ik me omdraai, kan ik mijn ogen nauwelijks geloven. Bij de jeeps staan twee Himba-meisjes vrolijk met elkaar te praten. Binnen de kortste keren staan we allemaal te fotograferen. De meisjes vinden het prachtig en poseren als volleerde modellen.<br />
Ze lopen weg en wenken: achter ons aan. We lopen naar een 50 meter verderop gelegen groepje bomen, en daarachter blijkt zich hun tijdelijke nederzetting te bevinden. Mannen en vrouwen zit kriskras door elkaar op de grond. Er liggen dekens, er staat een pot met een wit, pasta-achtig goedje. Poedelnaakte jongetjes rennen in het rond.<br />
Een Herero-jongen komt op ons af en overlegt in gebrekkig Engels over de prijs voor de foto's. Ruud geeft hem een bedrag aan Namibische dollars. Nu verschijnen er veel meer Himba-meisjes. Ze stellen zich op in een rij en beginnen zachtjes te zingen. Alle meisjes hebben hun huid ingesmeerd met een vetachtige substantie die beschermt tegen uitdroging. Om hun hals dragen ze een kunstig gemaakte ketting met een schelp. Hun borsten zijn bloot; ze dragen een leren rokje. Sommigen hebben een deken rond hun middel gedrapeerd. <br />
Het gezang wordt luider en vrolijker. De meisjes beginnen ritmisch te klappen en soms springt er een naar voren die met overgave begint te dansen. Ook de mannen dansen mee en stampen woest met hun voeten op de grond. De meisjes vinden het prachtig en klappen nog harder, zingen nog luider. Na enig aarzelen besluit ik ook te gaan dansen. Ik stel me op voor de rij meisjes en tracht de mannen die ik zojuist zag, na te doen. Aanvankelijk lijken ze me een beetje verbaasd, maar al snel moedigen ze me aan door enthousiast te klappen en te dansen. Na mij komt er nog een man, en dan wordt het gezang langzaam maar zeker zachter, bijna melancholisch.<br />
Het is afgelopen. We bedanken de Himba en stappen in de auto's. Tot aan Opuwo zitten we glazig en zwijgend voor ons uit te kijken.<br />
<br />
ZEVEN LEEUWEN<br />
De laatste grote attractie van de reis is het Etosha National Game Park, het grootste wildpark ter wereld. De kern ervan wordt gevormd door een uitgestrekte vlakte, de Etosha-pan, die in de regentijd vol water staat. <br />
Het park lijkt gortdroog. Toch vinden we vrij snel een drinkplaats waar we giraffen, zebra's, springbokken, kudu's, gnoes, struisvogels en oryxen zien. In rustig tempo rijden we nog uren door het park, maar zien geen leeuwen, luipaarden of olifanten. Sommigen zijn teleurgesteld, maar ik niet: mijn hoofd zit nog vol Himba.<br />
We overnachten in Halali, een restcamp midden in het Etosha-park dat doet denken aan een kazerneterrein. In het restaurant ontmoet ik Stella. Ze zit met een paar vriendinnen aan tafel te praten. Zo af en toe hoor ik dat ze een klakkend geluid maken met hun tong, een taaleigenschap die ze van de bosjesmannen hebben overgenomen. Stella is een 21-jarig zwart meisje dat onderwijzeres blijkt te zijn. Van 8 tot 10 's ochtends en van 6 tot 8 's avonds geeft ze les aan de kindertjes van het in het restcamp wonende en werkende personeel. Ze heeft iets heiligs over zich en ik vraag of ze christen is. Ze veert meteen op: drie jaar geleden is het haar overkomen. Drie dagen en nachten lang had ze gehuild, en toen was het wonder geschied. Sindsdien is ze overtuigd christen, net als veel van haar landgenoten. Ze wil later zangeres of journaliste worden, zegt ze beslist. Ik maak een foto en beloof hem haar op sturen.<br />
De volgende ochtend zijn we al om zes uur op om nog enige kans te maken een van de 'big five' te zien &mdash; olifant, buffel, leeuw, luipaard of neushoorn. We rijden naar een drinkplaats en zien vanuit de verte dat er al een paar auto's staan. Wachten ze of hebben ze al iets gezien? We parkeren onze jeeps tussen de andere wagens. Pas na enige tijd zie ik het: vlak bij het water ligt een leeuwin. We pakken onze camera's en beginnen driftig te fotograferen. <br />
De leeuwin staat op en loopt een stukje. Plotseling brult ze een aantal malen, en even later zien we het resultaat. Uit het bos komt een tweede leeuwin gelopen, met drie welpjes. Ze dartelen vrolijk om haar heen. Na vijf minuten komen er vanachter de auto's twee mannetjesleeuwen aangesjokt. Eerst drinkt de een, even later de ander. Het is een vredig schouwspel. De welpjes spelen zelfs met een van de mannetjesleeuwen. Als we genoeg hebben gefotografeerd, besluiten we te vertrekken. Maar we hebben de terreinwagen die inmiddels achter ons is komen staan, niet gezien en terwijl we achteruitrijden botsen we er met een flinke knal tegenaan.<br />
De leeuwen kijken even verstoord op en gaan dan verder met hun bezigheden. We parkeren onze jeep naast de terreinwagen en nemen vanuit de auto de schade op. 'Only the bumper?' vraagt de man achter het stuur, nauwelijks geÃ¯nteresseerd. 'Yes,' bevestigen wij. 'No problem,' zegt hij. De unieke foto's die hij van de zeven leeuwen kan maken, vindt hij veel belangrijker. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">142@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Tue, 30 Mar 2004 06:06:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Een grijze man ziet het spek niet lijden</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=143</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=143#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ De <i>vrouw</i> &mdash; Ik zie je zitten, zo over een jaar of zes, zeven, ongetwijfeld in Ouderkerk aan de Amstel, in een statige, vrijstaande villa aan het water met een smeedijzeren hek ervoor en een oprijlaan.<br />
Het raam staat open, de zon schijnt, maar je bent uitsluitend nog vrolijk wanneer je alleen bent, wanneer je zonder het te willen wegdroomt in de wereld van vroeger en in de wereld zoals die later zou hebben kunnen zijn. Iets anders dan wat je omringt ben je niet meer gewend, de wens dat het anders zou moeten bestaat niet meer. Het komt niet meer in je op, het beperkt zich tot dit smalle denken &mash; maar ook dat denk je niet meer.<br />
Je hoort de auto van je man op de oprijlaan. Je ziet zijn grijze BMW 718i, hij stapt uit, zijn glimmende leren schoenen kraken in het grint als hij naar jullie voordeur loopt, hij blijft even staan en veegt geï¿½rgerd een veertje van zijn grijze jasje en trekt zijn al even grijze broek met vouw wat op.<br />
<br />
<i>De man</i> &mdash; Voor de deur blijft hij staan. Hij kijkt om zich heen, ziet jou niet. Links van de voordeur staat een emmer met een oude spijkerbroek met scheuren erin, van jou (heeft ze in de tuin gewerkt?) en machteloos moet hij toestaan dat er zich herinneringen opdringen: hoe hij je tegenkwam, toen had hij zelf ook nog een spijkerbroek met scheuren erin, stiekem deed hij wel eens wat eyeliner onder zijn ogen, hij droeg hoge, zwarte schoenen, een zwarte leren jas die versleten was (Ach ja! Met Ingrid kocht ik die, op het Waterlooplein, ze zei dat ze mij die jas zo mooi vond staan) en hij verfde zijn haren nog wel eens zwart.<br />
Maar de tijd heeft alles snel grijs gekleurd.<br />
'Het is wat,' denkt hij.<br />
<br />
<i>De vrouw</i> &mdash; Je hoort hem binnenkomen. Hij opent de deur van de kamer waarin jij zit en je ziet hoe hij je vrijwel onhoorbaar en zonder je aan te kijken groet. 'Een aardige dag,' zegt hij ongevraagd en trekt zijn schoenen uit, zijn sloffen aan, gaat op de leren bank zitten, pakt de krant die jij voor hem hebt klaargelegd (wereldvreemd ben je gebleven) en begint te lezen.<br />
<br />
Stilte.<br />
<br />
Je loopt naar het eikenhouten dressoir, trekt de la open en neemt deze brief eruit. <br />
Je leest en onze wereld doemt op, eerst de contouren, steeds meer details, minder mist.<br />
O ja, het hol op de Nassaulaan.<br />
O ja, ontbijtkoek. Sinaasappelsap, vers.<br />
O ja, die pannenkoeken in de tuin. In de verte hoorden we de suizende stad.<br />
O ja, mijn band plakken in de zon. De buurvrouw met de jodenlijm.<br />
O ja, die lange nachten, vrijen tot het licht werd. Dat ik tegen hem zei dat het mij zou opbreken. O ja, op opa's kleedje in het park, witte bolletjes met kaas eten, melk erbij. Toen waren we even de sleutels kwijt, ja.<br />
<br />
Je grijze man bromt iets over het eten, je bromt iets terug.<br />
<br />
O ja, midden in de nacht gevreeÃ«n op een grasveld in het koude Vondelpark.<br />
O ja, samen naar het Rutgershuis, een zonnige dag die goed afliep. Dat ik zei dat het uiteindelijk toch mijn probleem was.<br />
O ja, om drie uur 's nachts met de taxi naar hem toe. Dat ik later zei dat ik dat misschien beter toch niet had moeten doen.<br />
O ja, het gooien met de zwarte hoed.<br />
O, toneelstukjes spelen. Ik was het meisje op het strand.<br />
O, zijn geur. Zou hij nog wel eens aan mijn geur denken.<br />
O, zijn hoofd. Zou hij mij nog wel eens voor zich zien.<br />
O, we smeerden elkaar in met lindaan, er waren kaarsen, het was heilig.<br />
O ja, dat ik zei <i>dat hij misschien mijn graal was</i>.<br />
<br />
Je stopt de brief terug in de envelop en legt hem terug in de la. 'Ik ga koken,' zeg je tegen je man en je staat op. Hij mompelt wat en terwijl je langs hem loopt, zegt hij: 'Wat las je daar?' maar hij kijkt niet op, de vraag was niet bedoeld om beantwoord te worden.<br />
<br />
In de keuken pak je een zak aardappelen uit het kastje en begint te schillen.<br />
O ja, biefstuk, denk je, en je pakt twee schnitzels uit de koelkast.<br />
Terwijl de aardappels koken, zie je jezelf in de spiegel die naast de koelkast hangt en begint stil te huilen. De boter, die je in de pan hebt gedaan, smelt en wordt bruin. Er vallen tranen in de pan, wat een sissend geluid veroorzaakt. <br />
O ja, toen we pannenkoeken bakten en het spek in de pan deden: pijn kijken. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">143@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Sun, 21 Mar 2004 05:57:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>27 juni 1991, 4.15 uur, Hilton Amsterdam</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=75</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=75#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ We schieten door, op ellingmann.com.<br />
<br />
Het Noorder Amstelkanaal in Amsterdam-Zuid, dat langs de Reijnier Vinkeleskade loopt, is een langgerekte, grijze slang, waarvan de glanzende huid al oplicht &mdash; het daagt al in het oosten. Het is 27 juni 1991, kwart over vier 's nachts. <br />
De rust wordt verstoord door eendengekwaak, en even later verschijnt er een wit stipje aan de einder, dat maar traag dichterbij komt. Stemgeluiden, watergeklots. De stip ontpopt zich tot een waterfiets. Er zitten twee mannen op, in spijkerbroek en hemdsmouwen.<br />
Een van hen is Ellingmann. Naast hem zit Otto, een gebrilde, 22-jarige, reeds kalende rechtenstudent.<br />
Ze zijn uitgeweest, er was weer eens iets te vieren. Eerst naar Welling, de begraafplaats van Oud-Zuid, dan naar Wildschut, waar Kleine Charlie staat, Basstem Frits, en ik-gun-iedereen-zijn-eigen-ontwikkeling-Dick. En vervolgens naar Odeon, bier drinken te midden van frisse, onschuldige jeugd. Maar Odeon was niks, de Bovenzaal was halfleeg, dus ze zijn voortijdig weggegaan. Onderweg naar huis kreeg Ellingmann een idee. <br />
'Ik heb vroeger bij die waterfietsen gewerkt, bij Canal Bike.'<br />
'Nou?' zegt Otto.<br />
'Die chef van Canal Bike was vreselijk, hij heeft me genaaid. 't Is misschien vier jaar geleden, maar ik vergeet nooit wat. We gaan nu naar de brug voor het Rijks. Daar liggen die bootjes onder. Ik klim onder de brug, pak zo'n waterfiets, vaar naar de steiger en dan stap jij in.'<br />
'Dat mag niet, dat is diefstal,' werpt Otto tegen en drukt zijn bril wat steviger op zijn neus.<br />
'Ik leen die waterfiets van Canal Bike,' zegt Ellingmann en zet er flink de pas in. Bij het Rijksmuseum aangekomen klimt hij over de brugleuning, laat zich langzaam zakken en springt op een van de waterfietsen. Hij maakt de touwen los, vaart met zijn boot naar de steiger en Otto stapt in. Ze fietsen weg. <br />
<br />
Noorder Amstelkanaal, kwart over vier 's nachts. Ellingmann en Otto naderen hun einddoel: de Banstraat, een zijstraat van de Reijnier Vinkeleskade. 'Toen die dj Herman Brood opzette, had ik het helemaal gehad,' zegt Otto.<br />
Voor hen doemen de contouren van het Hilton Hotel op. 'Waar leggen we die boot neer?' vraagt Otto.<br />
'Bij die brug, daar verderop. Daar is ook een trapje naar de straat.'<br />
Maar op de Hiltonbrug, een meter of honderd verderop, is iets aan de hand. Vlak achter elkaar stoppen er twee auto's; ze blijven midden op de brug staan. 'Dat is...! Moet je kijken, man! Dat is politie!' sist Otto. 'Ze moeten ons hebben! Wat heb ik je nou gezegd...!' Hij is nog niet uitgesproken of achter hen, op de kade, komt met grote snelheid een derde politieauto aangereden. 'Godverdomme!' gromt Otto. <br />
Maar Ellingmann trapt rustig verder, tot de waterfiets vlak bij de brug is. Er staan inmiddels vier politieauto's. Niemand heeft  aandacht voor de waterfiets. Hij stuurt de boot naar de wal, laat Otto uitstappen, stapt vervolgens zelf uit en laat de boot voor wat-ie is.<br />
Ze klimmen het dijkje op en staan het volgende moment oog in oog met een agent van politie.<br />
'Jullie zijn er ook snel bij,' zegt de man. 'Er is verder nog geen pers, geloof ik.'<br />
Ellingmann kijkt in de richting van het hotel. Voor Club Juliana's, de nachtclub onder het Hilton, staat een groepje mannen over iets heengebogen.<br />
'Wat is er aan de hand?' vraagt Ellingmann.<br />
'Nou ja, hij is omgelegd, hè,' grinnikt de agent. 'En daar ligt-ie.' Hij wijst op het groepje mannen, een meter of dertig van hen vandaan.<br />
'Bruinsma. Tien minuten geleden.'<br />
'Wie heeft dat gedaan?' vraagt Ellingmann, die zich van het ene op het andere moment voelt als een sterverslaggever van <i>De Telegraaf</i>, de Krant van Wakker Nederland.<br />
'Iemand heb een groene Golf zien wegrijden, en daar zit Martin Hoogland in.'<br />
Ach ja, denkt Ellingmann. Natuurlijk. Martin Hoogland. Otto kijkt inmiddels met ongeruste blik naar de waterfiets, die langzaam het kanaal op drijft.<br />
'Mogen we even kijken?' vraagt Ellingmann.<br />
'Een stukkie, dat gaat wel,' antwoordt de agent. 'Maar ga er niet tussen staan, dat  vinden ze niet fijn, denk ik.'<br />
Otto blijft bij de agent staan, maar Ellingmann loopt in de richting van het groepje mannen. Wanneer hij er een meter of tien van verwijderd is, blijft hij staan. <br />
Er ligt een man op de grond, keurig in pak gestoken. Midden op zijn voorhoofd, even boven de ogen, is een stipje zichtbaar.<br />
De man ligt er vreemd bij: zijn geopende handpalmen liggen naast zijn hoofd, alsof hij zich op het laatste moment, tevergeefs, heeft willen overgeven.<br />
Bruinsma, tracht Ellingmann zich peinzend te herinneren, was dat niet mijn chef bij Canal Bike? ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">75@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Fri, 16 Jan 2004 15:12:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Ook jij zag er fantastisch uit</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=57</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=57#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Ellingmann dacht: dat doen we nooit weer, zo’n vraaggesprek met Mulisch, zeker niet als we er niet van op de hoogte zijn dat er ook nog een fotograaf van dat blad komt, die de sfeer verpest en alles stukmaakt wat we in twee uur hadden bereikt, door zo dicht met zijn camera bij de schrijver te gaan staan, meer dan 20 centimeter was het niet en toen zei Mulisch: ga maar weg dit interview met Harry kunt u als beëindigd beschouwen en ik zei tegen de fotograaf: eruit jij, en laat ik je nooit meer zien. Later liep ik naar Welling met een gedicht dat ik even daarvoor had geschreven en waarvan de titel luidde: <i>Over het gooien met asbakken</i>. Ik liet het lezen aan die jazzcomponist die ook wel eens een opera doet, met zijn baardje en zijn scherpe ogen, ik ben zijn naam kwijt, dat komt zo, we gingen schaken toen en hij dronk bier, ik calvados, en hij zei: Frans! Dat is een mooi gedicht, poe hé. Maar dat motto in <i>Moeder en Zoon</i> van Reve, van Edgar Allan, getiteld <i>Alone</i>, had ik toen nog niet vertaald, dat kwam pas jaren later. The home is where the heart is maar hoe moet het met de hartelozen op de wereld dan. Reve is bijna dood, Hermans is al klaar wat dat betreft, Hermans die zo van katten hield en de tijd van het webloggen godzijdank niet mee heeft hoeven maken want dan had hij alsnog een hekel aan die dieren gekregen door die webstreeplogterreur, nee dan een hond maar dat gaat niet in de stad met goed fatsoen. Heeft een leven een motto en zo ja waar staan die 6,2 miljard motto’s dan. Mijn nieuwste vertaling is <i>Honderd Tinten Wit</i> van Preethi Nair en komt binnen twee maanden uit, bij Prometheus, ik zal een exemplaar verloten onder mijn trouwe lezeresjes en lezertjes ik zal eraan denken tenzij ik het vergeet dus weest u mijn geheugen dat sta ik  toe. Van Winnie heb ik weken niets gehoord maar er was iets met zijn vrouw, die uit België komt ik weet het heus wel, ze werkt met kankerpatiënten. Vertalingen zijn per definitie knievallen en leiden tot misverstanden heb ik wel een goed beroep. Was Macmahon, jeweetwel bij de Avenue Niel, nu ook een marechal ik dacht het wel, maar welke oorlog dat is me ontschoten. Max de Jong is ook al jaren dood en zijn dichtbundel heb ik nog steeds niet kunnen vinden het is hier ook zo’n ongehoorde puinhoop. We kwamen een zwerver tegen in het Zuiden die blond was en niet eens stonk, hij  was 22 dacht ik, hij liep over de Boulevard Marechal Joffre; een dichter had hij kunnen worden, maar ik weet nog dat ik dacht: die knakt in de knop, hij draait zijn eigen nek om. In ieder geval zal hij geen succesvol leven leiden want succes dat vereist aandacht en fatsoen. Mijn moeder heeft twee zusjes en ze komen allemaal uit Groningen, dat wil zeggen uit Veendam, zo ziet u maar dat ik nooit lieg, althans u merkt er weinig van. Mijn vrouw houdt niet van stierenvechten en mijn vrienden ook niet. Toch moet ik doorzetten en het verhaal over Céret eens afmaken, dat had ik Aukje ook beloofd. Sander Hohage schreef eens een boek over een mislukte tocht naar de Andaman-eilanden, maar daar schrijf ik nog wel eens over, u krijgt nog heel wat van mij te horen, is ‘t niet goedschiks dan maar kwaadschiks. Ooit een s-bocht met 80 km/uur genomen? Ik wel, maar ik viel uit de auto, de schade bleef beperkt; in Béziers was dat, of nee, Sérignan, dat ligt er vlakbij, dat wel. Wat vind je van die lange teksten, je houdt er niet van, je bent liever snel klaar, hup een reactie en we zijn weer klaar, we moeten door, godverdomme. Ik vraag me steeds vaker af waarom ik dit doe zonder er een stuiver voor te vangen, ik doe het niet voor de lol. Het axe-effect bereik ik  liever met Le Troisième Homme de Caron, ware het niet dat dat parfum al tien jaar uit de handel is. En nu we het toch over parfum hebben: vier jaar lang had ik een Spaans luchtje, maar dat verdween ook weer en nu doe ik het met Chrome, van Azzarro. Martine Bijl zag er verdomd slecht uit laatst op tv, ik dacht: je had een oma kunnen wezen, maar je hebt geen kinderen. Je zoekt en zoekt en bent blij met wat je vindt al had je er niet naar gezocht. Omdat roken niet goed is voor mijn gezondheid, moet ik ermee ophouden en dat doe ik ook, op 1 januari, en dat lukt. Mensen die niet kunnen spellen, spellen ellingman, die niet bestaat. Mag het weer: neger? Het is een woord dat je in zeker gezelschap niet gebruikt. Mijn vrouw heeft haast, we moeten bijna eten, eerst in de taxi, al zal Walter dat niet goedkeuren. Mijn vreemde vriend. Ik doe het toch. Wat heeft die beurs toch de laatste tijd, ik volg hem elke dag al heb ik nooit een aandeel bezeten. Tennissen doet mij denken aan haarbanden, aan Björn Borg en aan diens topspin-effect. Lieve Merel, ook jou wens ik een weekend vol rust. Vanaf maandag ga ik weer vertalen aan een nieuw boek, ‘t is van een Ierse je hoort er nog over. Iets minder zuipen volgend jaar, hoewel, het viel best mee, maar het jaar was zwaar vandaar. Mescal! zei de consul, en jij weet uit welk boek dat komt nietwaar, zeg het maar. Toen ik jong was, dacht ik niet de dingen die ik nu kan denken, en nu denk ik: was ik maar jong. Wat klopt hier niet? In het kader van de bezuinigingen gaan we volgend jaar maar ergens anders wonen, maar ik vertel je lekker niet waar, want dan is het geen verrassing meer. Gerard Reve, da’s pas leven. Ook jij zag er fantastisch uit, ze woonde in Madrid, dag Ingrid, ook jij zag er fantastisch uit (uit <i>Limonadeglazen Wodka</i> van Spinvis, wat een held). Volgend jaar weer naar Céret. Er komt nooit iemand op ellingmann.com en trouwens: wie schrijft later mijn biografie? Nu alleen die naam van die jazzcomponist nog. Ja, ik weet het weer, dat was Theo Loevendie. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">57@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Fri, 19 Dec 2003 20:18:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Interview met Harry Mulisch</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=35</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=35#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <b>'Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had'</b><br />
<br />
Harry Mulisch heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Een van de pareltjes die hij schreef, <i>De pupil</i> (1987), gaat over een jongen van achttien die vlak na de oorlog naar Italië vertrekt. Hij ontmoet een steenrijke vrouw van over de tachtig, de Vlaamse weduwe van de uitvinder van de veiligheidsspeld. Hij wordt gedurende enige maanden haar gezelschapsheer en baadt in weelde. De weduwe heeft besloten uit dankbaarheid Italië een kabelbaan naar de top van de Vesuvius te schenken. Samen met haar pupil zal zij die officieel openen. Maar wanneer ze naast elkaar in een stoeltje zitten, is de oude vrouw ineens verdwenen. Hoewel zij als eerste vertrokken, ziet de pupil plotseling allerlei mensen in de stoeltjes zitten die naar beneden gaan. Hij herkent ze vaag, al weet hij niet precies wie ze zijn. Vlak boven de top komt hij in de mist en ziet niemand meer.<br />
Mulisch opperde ooit de theorie van de absolute leeftijd: de leeftijd die iemand altijd bezit, ongeacht zijn werkelijke leeftijd. De jongen uit <i>De pupil</i> heeft de leeftijd die Mulisch als zijn eigen absolute leeftijd ziet: zeventien, achttien.<br />
'Ik, een buitengewoon opmerkelijke jongeman van achttien, even opgewekt als getourmenteerd, met een volstrekt onafhankelijke geest en een universele belangstelling, uitzonderlijk begaafd, met een mateloze ambitie, gecombineerd met een tomeloze werklust, daarbij ongetwijfeld creatief, met een aangeboren mensenkennis en een verbluffend originele fantasie, ook zeer geestig en ad rem, bovendien vrijwel volmaakt gebouwd en altijd smaakvol gekleed, welgemanierd, goed van de tongriem gesneden en bij dat alles van een hartveroverende bescheidenheid.'<br />
Harry Mulisch over de absolute leeftijd, over vrouwen, over collega’s: 'Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had.'<br />
<br />
'<i>De pupil</i> speelt vlak na de oorlog. Maar ikzelf was niet in Italië, toen. Mijn absolute leeftijd is zeventien. Dat is de leeftijd dat je geen kind meer bent, maar eigenlijk ook niet volwassen bent, en als iets heel onafhankelijks in de wereld staat. Ik tenminste. Dat zie je ook aan die schooiertjes die rotzooi trappen op straat. Die zijn ook allemaal zo oud. Zo tussen de vijftien en de negentien. Die leeftijd. Dat is een hele rabiate leeftijd, waarop jongens hele gekke dingen willen en doen. Dat kan je doen door op straat rotzooi te trappen of stenen naar de politie te gooien., maar in De pupil gebeurt het op die manier, op een meer intellectuele manier. Het is een leeftijd waarop je denkt dat je alles kan. Je hebt je eigen wetten nog niet vastgesteld, je hebt je nog niet gestoten aan het leven. Ja, sommigen wel, maar over het algemeen niet. Je denkt dat alles mogelijk is. Dan krijg je zo’n zelfgevoel als die jongen in De pupil. Bij mij is er veel van dat zelfgevoel overgebleven, omdat ik later nooit ben ingekapseld in een gezin of een baan, dat soort dingen. Ik ben altijd onafhankelijk geweest. Ik heb mijn hele leven alleen maar gedaan waar ik zin in had. <br />
Tja, waar staat die veiligheidsspeld voor... Kijk eens, zo denk ik niet. Ik bedoel: dat moet een lezer maar zeggen. Voor de een zal het dit zijn, voor een ander dat. Ik heb het in drie weken geschreven. Ik vind een veiligheidsspeld een fantastisch ding. Die beschrijf ik dan ook. Stel je voor: je bent de uitvinder van de veiligheidsspeld en je krijgt voor iedere speld als is het maar een honderdste cent, dan ben je de rijkste man van de wereld. <br />
<i>De pupil</i> zit wel in het centrum van mijn werk en ik heb het bovendien met de grootste lol geschreven. En nog steeds als ik erin kijk moet ik zelf ook lachen. 't Is leuk.<br />
In <i>De pupil</i> zit die kabelbaan. De hoofdfiguur zit erin, en dan ziet hij de romanfiguren uit mijn oeuvre aan zich voorbijtrekken. Die komen uit die vulkaan, uit de aarde. Op een gegeven ogenblik ziet hij ze niet meer, dan zit hij in die mist, en dat zijn de figuren uit de romans die ik sindsdien heb geschreven. Dat wist ik toen zelf nog niet.' <br />
<br />
<b>Isengrim</b><br />
'Mijn wereld is niet zoals die van Hermans. Hermans is zo'n beetje het tegendeel van mij. Het sadistische universum, en alles loopt mis, mislukt... Bij mij lukt er nog wel eens wat. Dat is niet mijn universum. Het is niet zo dat alles mislukt. Een hoop, maar niet alles. En in <i>De pupil</i> al helemaal niet. Een opgeblazen jongen die ontzettend overtuigd is van zichzelf, en niet een verscheurde Hermans-ziel. En dat is de absolute leeftijd. Die heb je ook al wanneer je zes bent. En wanneer je zestig bent. Dat is wat je bent. Dat is de leeftijd van je ziel. Laten we het zo zeggen. En dat verandert niet essentieel. Een jongen als Hermans was toen hij zeven was net zo'n Isengrim als toen hij zeventig was. Die is zijn hele leven misschien wel zeventig geweest. Maar je hebt ook jochies van twee jaar. Mensen die de absolute leeftijd hebben van twee jaar. Of tachtig. Maar die absolute leeftijd is een gimmick, het is een grap. Maar het is wel behulpzaam. Vrouwen hebben ook een absolute leeftijd. Ja. Je hebt vrouwen die zijn vrouwen en je hebt vrouwen die zijn altijd meisjes. En die hebben dus een veel jongere absolute leeftijd. Ook al zijn ze zestig, dan zijn ze eigenlijk nog maar veertien. En je hebt vrouwen die zijn altijd al vijftig geweest. Dat zijn echt vrouwen. Als je die feminsten ziet die vroeger de straat op gingen, dan kwam er hier zo’n hele stoet langs... Dat waren helemaal geen vrouwen. Dat waren meisjes. Daar was niet één vrouw bij. Vrouwen, die zijn zoals je ze ziet bij Albert Heijn en overal in de stad. Maar die liepen daar niet. En dat klopt ook. Want alleen meisjes hebben die spirit om de straat op te gaan. Al waren sommigen ook wel oud. Vijftig. Henny de Zwaan, een van de grote voorvechtsters, die is tachtig geworden. Die heb ik goed gekend. Maar die was twaalf. En dat was het leuke ook van haar. Er zijn ook meisjes, die woirden moeder, en die zijn dan de dochter van hun dochter zijn. Gekke moeders met volwassen dochters. Waarbij de moeder duidelijk jonger is. Je ziet het ook in vriendenclubs. Clubs van mannen, een pokerclub of wat voor club dan ook. Die zijn allemaal vijftig, ook al zijn ze het niet. En bij een andere club van mannen van vijftig, zestig zijn ze allemaal twintig.<br />
Ik houd de Nederlandse literatuur niet bij. Nee, absoluut niet. Ja, ik kijk wel eens een boek in en ik lees besprekingen en ik hoor mensen dingen zeggen... Maar niet dat ik hier in de stoel zit en een boek lees. Wat moet ik er allemaal mee. Dan heb ik een kast vol boeken, die kast kost achthonderd gulden, en die boeken heb ik dan niet gelezen. Vroeger wel hoor. Ik bedoel: het is niet altijd zo geweest. Tot mijn dertigste las ik alles. Alles wat er uit kwam van Hermans of Vestdijk. Toen hield ik het echt bij. Maar op een gegeven ogenblik is het over. Althans, was het bij mij over. Ik wist het wel. Ik was geen lezer, maar een schrijver. Je hebt schrijvers, die zijn niet alleen maar schrijvers, maar ook literatoren. Hermans was ook een literator. Daar was hij tegen en daar was hij voor. Maar dat kan mij allemaal geen bal schelen. Het enige wat me kan schelen is wat ik zelf aan het doen ben. Ooit had ik een interview samen met Hermans. Maar die wou winnen. Het lijkt mij leuk om met zijn tweeën tot een bepaald resultaat te komen. Maar dat hele competitie-element, dat vind ik vreselijk. Da's leuk bij voetballen, want dan is er een uitslag. 2-1. Dan heeft die gewonnen, die verloren. Dat kun je bij literatuur of kunst nooit zeggen. Het competitie-element maakt de zaak eenvoudig. Wie is de beste schrijver, en hoe is de hiërarchie. <br />
Ik heb een theorie gehad over klassen. Je zit steeds weer in de laagste klas.<br />
Als je in de hoogste klas zit van de lagere school, of hoe heet dat tegenwoordig, de zesde, dan ga je naar de middelbare school, dan zit je weer in de eerste. Dan ben je weer de kleinste. En dan doe je eindexamen, en dan ga je studeren, en dan ben je een foet. En dan ga je schrijven, en dan ben je debutant. Dan word je de beste Nederlandse schrijver zullen we maar zeggen, en dan gaan we eens in Europa kijken. Ik denk niet over mezelf als de beste Nederlandse schrijver. Ik schrijf geen boeken om de beste schrijver te zijn. Ik schijf dat boek ook niet om ervoor te zorgen dat dit het beste boek wordt. Maar het boek moet zo worden als ik en het boek samen willen dat het boek wordt. En verder kan iedereen vervolgens doodvallen. Als ze zeggen: we vinden dat boek van je collega zus-en-zo beter, nou, goed. Best. Het boek is van de lezers. De lezers maken uit hoe het zit. En in de literatuur is het zo: zelfs deze generatie maakt dat niet uit. Is het Hermans, is het Reve, is het Mulisch? Dat maakt deze generatie niet uit. Dat maakt de volgende uit. Als we allemaal dood zijn.<br />
Voor mij begon het literaire schrijven na de oorlog. Daarvoor heb ik wel wat gedachten opgeschreven. Toen kreeg je ieder jaar twee Vestdijks, en die las ik. Maar goed, hij is nu dood, hij heeft vijfenvijftig romans. Stel je voor, iemand wordt achttien, en die denkt: nu moet ik toch eens Vestdijk gaan lezen. Waar moet je beginnen? Waar moet je beginnen? Een schrijver hoort niet meer dan een negen of tien romans geschreven te hebben. Net als een componist: je moet negen of tien symfonieën hebben. Beethoven. Dat kun je overzien. Je ziet duidelijke verschillen. Je ziet bij elke symfonie precies wat het is. Maar kijk eens naar Haydn, Händel. Veertig symfonieën. Dat vervloeit in elkaar. Je moet ook niet te veel hebben geschreven aan romans. Maar je moet wel van alles geschreven hebben. Dat vind ik wel. Alle mogelijke soorten boeken. Alle grote schrijvers, Dostojewski, Kafka, die hebben niet meer dan een stuk of tien romans. <i>Het proces</i>, <i>Het slot</i>, <i>Amerika</i>, die heeft een paar van die dingen, en dat is het. Het mag niet te veel zijn. Bij Hermans zijn ze ook duidelijk zichtbaar. <i>Nooit meer slapen</i> is weer iets anders dan <i>De tranen der acacia’s</i> of dan <i>De donkere kamer</i>. Dat is te overzien. Maar bij Vestdijk niet.'<br />
<br />
<b>Duizend vriendinnen</b><br />
'Ik heb niet kunnen zien dat er een groot oeuvre aankwam, maar ik was ervan overtuigd. Het was wel de bedoeling. Op een gegeven ogenblik werd ik schrijver, en dan ook echt. En niet eens een boekje hier en een boekje daar. <br />
Er zijn wel dingen mislukt die ik geprobeerd heb. Romans waar ik aan begonnen ben. Of met verhoudingen... Ik heb ook een hele reeks verhoudingen gehad, maar dat heb ik nooit ervaren als mislukking. Het is op een gegeven ogenblik voorbij. Dan komt er iets anders. Ik ben nooit verraden. Dat kan namelijk ook. Ik heb voor zover ik weet nooit iemand verraden. Ik heb wel veel vriendinnen gehad. Misschien wel duizend. Waarom niet? Ik bedoel: een jaar heeft toch 365 dagen. Dan ben je er al in drie jaar, als je niet lui bent. Misschien wel aan de lage kant, duizend. Ik heb natuurlijk altijd vaste vriendinnen gehad van wie ik veel hield. Maar daartussendoor liep al dat soort kattekwaad. Dat is ook geen verraad. Dat gebeurde vooral voordat ik bekend werd, hoor. In Haarlem. Ik ben ruim zeventig intussen. Nu doe ik dat niet meer. Picasso ging ook naar een kroeg om meiden te versieren. Maar niet toen hij zeventig was. Maar toen hij vijfentwintig was. De mensen gingen naar de kroeg om een biertje te drinken en te kletsen. Dat heb ik nooit gedaan. Ik kwam daar om meiden op te pikken. Daarom ging ik naar de kroeg. En toen ik jong was had ik geen geld voor verwarming. Dus moest ik schrijven in het café. Toen ik veertig was, begon het al iets anders te worden. Ik deed dat overigens niet in de kroeg hoor, maar in cafés. Een kroeg is weer iets anders. Dat heeft iets gezelligs en zo. Dat is niets voor mij. Nee, Américain, dat soort dingen. Nu heb je ze overal, die <i>grand cafés</i>. Een groot café, daar hield ik van. Een leestafel, veel mensen. Zoals je nu hebt: Luxembourg, dat soort dingen. Dat vond ik leuk. <br />
<br />
Toen ik achttien was, heette mijn vaste vriendin Ada. Ze was iets ouder dan ik. Ik was achttien, zij was tweeëntwintig. Ze woonde in de Tweede Helmersstraat, en ze had een baan bij muziekuitgeverij Donemus. Een mooie vrouw. Op de foto kun je dat ook zien. In Mijn getijdenboek staat die. Dat was mijn eigen absolute leeftijd. Maar die heb je op je achtste ook al. Op je zeventiende vallen je echte en je absolute leeftijd samen. En dan ben je als het ware het meest jezelf. Zoals iemand met de absolute leeftijd van vijftig op zijn vijftigste zichzelf is. Dan gebeuren de dingen. Dan ga je boeken schrijven zoals ik. Ik ga schrijven, maar een ander wil generaal worden, en die wordt het dan ook. Die zal dan op zijn vijftigste het lekkerst in zijn vel zitten. Op mijn zeventiende was ik het meest actief en toen is alles ontstaan waar ik eigenlijk nog steeds mee bezig ben. Dat is allemaal daar begonnen. Daar liggen mijn wortels. <br />
<br />
Ik ben overal geweest waar ik wilde zijn. Niet in Afrika, Zuid-Amerika eigenlijk ook niet. Nee, maar wel Japan, Australië, en in heel Europa natuurlijk. Ik heb nooit ergens anders willen wonen. Ook niet vanwege de belastingen. Dan zit ik in België met 100.000 euro meer. En dan verveel ik me. Van het Reve, Hermans, die zijn hem allemaal voor de belastingen gesmeerd. Dan zit ik daar in Zuid-Frankrijk met mooi weer. Maar ik wil zo direct even de straat op en wat boodschappen doen... Ik heb nooit weggewild. Het heeft er misschien mee te maken dat ik een kind ben van immigranten. Ik ben in het buitenland, snap je? Ik heb niets met Nederland, zoals echte Nederlanders als Hermans en zo. Dat haten en zo. Absoluut niet. Mijn roots liggen heel ergens anders. Zoals je hier schrijvers hebt die kinderen zijn van immigranten, allochtonen die nu in Nederland schrijven. Hun roots liggen in Marokko, islam, dat allemaal. Zo voel ik me ook. Ik was een van de eersten. En die zullen altijd, al schrijven ze honderd keer in het Nederlands, heel veel te maken hebben met die cultuur. Dat is gewoon zo. En hun kinderen ook nog. Die zullen nooit op die manier een hekel aan Nederland hebben als Nederlanders dat hebben, zoals Jan Blokker dat heeft. Dat is echt Hollands. Dat is een echte Hollander. Dat soort. Dat heb ik absoluut niet. Het klimaat zou inderdaad de enige reden zijn. Maar dan zou ik nog niet naar Zuid-Frankrijk willen. Ik ben een stadsmens. Dus dan zou het Rome zijn of zo. <br />
<br />
Hoe ver mijn macht strekt? Om politicus te worden moet je broers en zusters hebben, je strijdt met je broers en zusters om de macht. En van je vader en je moeder leer je dat vak. Maar ik ben enig kind en in die zin ben ik koning. Beatrix heeft nooit om de macht hoeven vechten. <br />
God is een ander niveau. "Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten." Hoezo, in het diepst van mijn gedachten? In het diepst van mijn gedachten, dat vind ik een beetje stiekem. Ik ben een god die een boek schrijft. Ik bepaal wat er gebeurt in die wereld.' ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">35@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Thu, 04 Dec 2003 00:04:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Erica</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=24</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=24#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ 1. <br />
<br />
Daar komt Erica Blom aangelopen over het zomerse gras, met een stralend gezicht en, wanneer ze eenmaal voor me staat, met gepaste afstand &mdash; als vroeger. Ze heeft een zachtrood jurkje aan, met witte stippen. Ze kijkt me aan alsof we elkaar dagelijks zien. <br />
'Ik heb een baan,' zegt ze. Prachtig, ze heeft een baan, en dat in een tijd dat bijna niemand een baan heeft. Ze wordt directeur op een kantoor in Den Haag. Opgetogen legt ze uit wat ze precies gaat doen. Bijna verliest ze de controle die ik mij van haar herinner, zo graag wil ze me alles uitleggen. Ze zal een interessante functie gaan vervullen.<br />
'En ik wil het vieren,' voegt ze eraan toe. 'Kom je ook.'<br />
Maar wat leuk, Erica. Het is zo bijzonder dat je mij uitnodigt, dat, terwijl we elkaar tien, vijftien jaar niet gezien hebben. We zijn oud nu.<br />
<br />
Nadat het feest gevierd is, gaan we nog naar een café en blijven uiteindelijk met zijn tweeën over: de anderen zijn vertrokken.<br />
<br />
2.<br />
<br />
De volgende dag tref ik haar weer op hetzelfde veld, dat ik inmiddels beschouw als het onze. Erica is in mijn leven nu.<br />
'Ga je nog uit vanavond,' vraag ik.<br />
'Eventjes misschien,' zegt ze afhoudend. 'Even naar Duet. Niet te lang.' Duet, dat is café Duet, waar we gisteren ook waren. Ik moet vanavond naar Duet want de kans bestaat dat Erica komt. Ze is alleen, ze heeft een goede baan in Den Haag, ze wordt misschien verliefd op mij, ik op haar, wat overkomt mij!<br />
Maar 's avonds is ze er niet en ik wil zoveel drinken dat ik mij niet meer herinner dat ze ooit zou komen. <br />
<br />
3.<br />
<br />
Erica is in mijn hoofd maar ik zie haar nergens. Ik vind dat niet erg, want haar aanwezigheid in mijn hoofd is zo geruststellend dat haar lijfelijke aanwezigheid overbodig zou zijn. Ik vertel haar alles wat ik een ander nooit vertellen zou omdat het geheim is. Overal waar ik kom ben ik vrolijk en ik beantwoord de vragen van de mensen met een gemak en een precisie zoals ik die nooit kende.<br />
Ze is mijn troosteres, biechtvader en geliefde tegelijk, al krijg ik haar niet te zien. <br />
<br />
4.<br />
<br />
Het bos waar ik doorheen loop, is uitgestrekt en het landschap wisselt: nu eens staan de naaldbomen dicht op elkaar en striemen de takken in mijn gezicht, dan weer ren ik over onbeboste en moerassige velden. Een meisje rent met mij mee, samen vluchten we en we weten waar we voor vluchten, al denken we daar niet meer aan. Onderweg is ze al haar kleren kwijtgeraakt, ze is bloot. Later, als we veilig zijn, zal ik een jurk voor haar kopen. Nu is daar geen tijd voor. We waden door rivieren, af en toe stroomt de regen met bakken uit de hemel. Het lawaai van de natuur om ons heen is oorverdovend.<br />
We bloeden, we hebben het warm.<br />
Na uren achtereen zo gelopen te hebben, zien we in de verte de stad liggen: we zijn gered.<br />
De grens tussen de woeste bossen en de stad is abrupt. Ik stamp de modder van mijn schoenen en klop de takken en dennenaalden uit mijn gescheurde kleren. Voor mij ligt Amsterdam, ik sta op de klinkers van een straat die ik niet herken. Alles wat ik weet is dat ik in Amsterdam ben, dat ik veilig ben.<br />
Het blote meisje staat achter me. We kijken om ons heen en ruiken de lucht van een brand die juist geblust is. In de verte tussen de huizen zien we pluimen witte rook en er bewegen zich mensen onrustig door de straten die voor ons liggen. We lopen een eindje de stad in en vragen aan een groepje mensen dat staat te kijken wat er aan de hand is. <br />
'Er heeft een vreselijke brand gewoed,' antwoordt iemand. 'Er zijn mensen omgekomen. Niemand weet hoeveel, of wie.' Ik vraag mij inmiddels af of dit wel Amsterdam is. Ik herken niets: geen gebouw, geen straat, geen mens. Ben ik zo lang weggeweest, heeft mijn vlucht door de wouden zo lang geduurd?<br />
Dan komt Erica Blom aangelopen. Ze loopt naar het groepje mensen toe waar wij bij staan en zegt niets. <br />
Erica. Mooie Erica. Maar haar witte charmante schoenen zijn zwartgeblakerd, haar zachtrode jurkje met witte stippen is gescheurd en haar gezicht is volledig verbrand: haar voorhoofd en haar wangen vertonen watachtige, zwartomrande zwellingen en haar haren zijn verschroeid. Het is of ze bewijzen wil dat ik het altijd mis heb gehad. <br />
Ze blijft me zwijgend aankijken en ik weet niet wat ik tegen haar zeggen zal. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">24@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Fri, 28 Nov 2003 16:53:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>De lichtmast</title>
			<link>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=5</link>
			<comments>http://www.ellingmann.com/pivot/entry.php?id=5#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Er is de laatste tijd een Chodorkowski in het nieuws, Michaïl Chodorkowski. 't Is die joodse oliemagnaat die door president Poetin is ontvoerd en gevangengezet. Tot die affaire had ik nooit van hem gehoord, moet ik bekennen. De <i> Quote-500 </i> bemoeit zich niet met Russen, en was dat wel het geval geweest, dan zou Jort Kelder door de Moskouse maffia aan zijn hondenharen een steeg zijn ingesleurd, in stukken gesneden en aan de zwerfkatten gevoerd; Georgina Verbaan zou als hoer zijn geëindigd in een bordeel in Magnitogorsk, het gezichtje nog pipser dan het nu al is. De <i> voluptuosité </i> van de gemiddelde Russische dame in aanmerking genomen, zou ze geen klant trekken.<br />
Het Nederlandse klimaat is welbeschouwd zeer mild.<br />
<br />
Maar over Chodorkowski wil ik het niet hebben.Mijn Chodorkowski heet Chodorowski. Een k-tje eraf. Myro Chodorowski. Een rijzige Oekraïener met een enorme buik en diepliggende, tussen de wallen nog juist zichtbare oogjes die een immerdurend verlangen naar elders uitstraalden.<br />
Later werd duidelijk waarom. Er was het een en ander gebeurd, vroeger. Toen de Duitsers in 1941 de Sovjet-Unie aanvielen, steeg er in straten van Kiev en Odessa een luid gejuich op. De Oekraïeners waanden zich verlost van hun Russische bezetters. Maar de nazi's werden in de pan gehakt en de Oekraïeners die al te enthousiast hadden gejuicht, kozen het hazenpad. Ze trokken met de verslagen SS-ers ('Doe mij even een nekschot') mee naar het westen en vestigden zich onder meer in België.<br />
Zo ook Myro Chodorowski. Na talrijke omzwervingen kocht hij in de Belgische Ardennen (Ster-Francorchamps) een flink stuk land, waarop een vervallen boerderij stond. Samen met zijn meegevluchte lotgenoten knapte hij die op en doopte zijn enclave 'Frankopole', naar de nationalistische Oekraïense dichter Ivan Franko. Hij trouwde met een Vlaamse; zijn medevluchters bouwden op het heuvelachtige terrein vakantiehuisjes, waarin ze zich permanent vestigden.<br />
<br />
Ik bezocht Frankopole voor het eerst in 1980, tijdens een kampeerreisje met school. Dat bezoek smaakte naar meer, en dat kwam niet alleen door het bier (Cristal Alken) dat er in de herberg werd geschonken. 't Was vooral Chodorowski zelf, die nooit een woord te veel zei en in wiens knuist een glas bier niet groter leek dan een vingerhoed. Hij leegde het in twee teugen.<br />
Later trok ik geregeld op eigen gelegenheid naar Frankopole en er ontwikkelde zich een zekere vriendschap tussen ons. Toen ik er een keer of tien was geweest, achtte Chodorowski de tijd rijp me in vertrouwen te nemen. 'Ich geh' nach Luxemburg,' bromde hij. 'Gaat u mee?' (Hij sprak Vlaams, Duits, Oekraïens en Frans door elkaar.) Ik vroeg hem waarom ik mee moest, maar die vraag negeerde hij. Of de vriend met wie ik kampeerde, ook meeging. Goed. In zijn roestige, donkerblauwe Opel Commodore reden we naar de Belgisch-Luxemburgse grens, waar de wagen werd volgeladen met de duurste spiritualiën. Op de terugweg verklaarde hij dat je per persoon een bepaald aantal liters mag importeren, en 'mit drei hab' ich meer dan alleen'. In Malmédy dronken we een glas op de goede afloop, waarbij hij met tevreden blik bromde dat hij vijfmaal zoveel had meegenomen als was toegestaan.<br />
Zijn dankbaarheid drukte hij uit in bier. 's Avonds nodigde hij ons uit in de <i>auberge</i>, waar een twintigtal Oekraïeners zich aan lange tafels had verzameld en onder begeleiding van deuntjes uit de jukebox weemoedige liederen zong. Myro stond achter de tap en schonk ons ongevraagd de ene pils na de andere. <img src="http://www.ellingmann.com/images/image1.gif" style="float:left;margin-right:10px;margin-bottom:5px;border:0px solid" title="Céline" alt="Céline" class="pivot-image" />Een grijsaard met twee zwarte tanden, die veel weghad van Louis-Ferdinand Céline, kon zich tussen twee liederen door niet meer inhouden en hief aan: 'Abknallen! Abführen! Hop! Hop! Vorwärts! Auschwitz!' Zijn hond, Boiko, begon er vrolijk bij te blaffen. Die was het blijkbaar gewend. Myro's Vlaamse vrouw zag mijn verbaasde gezicht. 'De Oekraïeners waren niet dol op de joden, hè.'<br />
De volgende dag ? het was stralend weer, herinner ik me ? waggelde ik met een majeure kater van het kampeerterrein, dat zich uitstrekte onder de herberg, naar boven, waar zich op de binnenplaats de douchecabines bevonden. Van verre al hoorde ik een hemels engelengezang, en even later ontwaarde ik zo'n vijftig kinderen die, gehuld in blauw-witte uniformpjes, volksdansen uitvoerden onder een geel-blauwe Oekraïense vlag die wapperde in de zomerbries. Myro kwam op mij af. 'Die kinder komen van heel Europa. En volgend jaar bouwen we een <i>kirch</i>,' zei hij kortaf. 'Van hout. Wij zijn katholiek.' Samen stonden we naar de dansende kinderen te kijken. 'In Oekraïne geht das nicht,' legde hij uit. We gingen de herberg in voor een Cristal Alken.<br />
Later, toen de kernramp in Tsjernobyl zich had voltrokken, waren de bewoners van Frankopole diep verontwaardigd. De Russen hadden de bevolking van het Oekraïense stadje aan haar lot overgelaten, oordeelden ze. Niet lang daarna werd Oekraïne onafhankelijk. Gelukkiger zijn ze er niet van geworden, vrees ik.<br />
Deze zomer besloot ik terug te gaan. Na een afwezigheid van een jaar of vijf was ik benieuwd hoe de vlag erbij hing. Mijn vrouw en ik waren drie jaar getrouwd en dit leek me als eerste halteplaats een geschikte bestemming. 'Je kunt er heerlijk wandelen,' legde ik uit. 'Er zijn bronnen in de buurt, en de mensen zijn heel vriendelijk.' <br />
<br />
In verband met de files vertrekken we om een uur of zeven en tegen tienen zijn we in Francorchamps. 'Hier rechts,' zeg ik. Heuvel op, heuvel af, in totaal zes keer, een kilometer of vijf. 'Dit heb ik wel twintig keer gelopen, met volle bepakking,' zeg ik niet zonder trots.<br />
De herberg doemt voor ons op. Er is niets veranderd, maar alles is donker. Het enige dat licht geeft, is een uithangbord waarop 'Kronenbourg' vermeld staat. Jammer.<br />
Vanwege de invallende duisternis besluiten we meteen de tent op te zetten. Het grasveld blijkt bedauwd, de schemerhemel is helder. Langs het pad dat naar beneden leidt, heeft Myro op een meter of twintig van elkaar drie lichtmasten geplaatst. Die zijn nieuw, stel ik vast. Maar het licht van de middelste mast brandt niet.<br />
'Er is iets,' zeg ik.<br />
Als de tent is opgezet, lopen we, bezweet van onze inspanningen, naar boven. De poort die toegang biedt tot de binnenplaats en de ingang van de herberg, is dicht. <br />
Ik klop aan. Na enige tijd hoor ik gestommel en voetgeschuifel. De poort gaat open en voor mij staat Myro's Vlaamse vrouw. <br />
'Wa'is er?'<br />
'We willen kamperen vannacht,' zeg ik.<br />
Daarop haalt ze haar bril uit haar schort, zet hem op en kijkt mij met toegeknepen ogen aan.<br />
'Ah, gij zijt het. Myro is overleden. Mijn man is overleden.'<br />
'God.'<br />
''t Was vorige week, hè. Morgen wordt hij begraven.'<br />
'Gecondoleerd,' zeg ik.<br />
'Hij is uit de lichtmast gevallen. Hij was daar een lamp aan het vervangen. Da was alles.'<br />
Ze zwijgt even en zegt dan: 'Ik ga nu slapen.' Ze trekt de poort dicht.<br />
De volgende dag vertrekken we naar onze volgende bestemming. Het kampeergeld rollen we in een stuk papier, dat we met een punaise op de poort prikken.<br />
<br />
Zo 's nachts vraag ik me nog wel eens af met welk een doffe klap zijn zware Oekraïense lichaam de Ardense bosgrond moet hebben doen trillen. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">5@http://ellingmann.com/pivot/</guid>
			<category>lang</category>
			<pubDate>Wed, 12 Nov 2003 22:20:00 +0200</pubDate>
		</item>
		
		
		
	</channel>
</rss>
